vrijdag 15 juni 2012

Piethoane

Hoeveel oranje kun je als mens verdragen. Laten we het maar over cultuur hebben was de gedachte bij zwarte man Sandman na afloop van van het voetbal tegen de Pruis eergisteren. Even geen Charkov, maar gewoon lekker thuis in de veenkolonies.


Ik was vier jaar toen Easy Rider in première ging, maar dat was niet de enige reden dat ik de film niet mocht zien. Het Stadskanaal van 1969 was allesbehalve ontvankelijk voor lofzangen op drugsgebruikende hippies, die op zoek waren naar zichzelf. De communis opinio in de Veenkoloniën dicteerde dat je beter op zoek kon gaan naar werk. Geluk en zingeving waren nog geen recht. Mijn vader heeft zijn hele leven hetzelfde commentaar geleverd als er weer zo’n ‘stuffieroker’ in beeld kwam: ‘Laat ze eerst maar naar de kapper gaan.’
Dat hij er zelf uitzag als een kruising tussen Wally Tax en Djenghiz Khan lag volgens hem anders. Dat was mode, want Johnny Rep en The Cats liepen er ook zo bij.
Ik kom uit een arbeidersgezin en in de jaren zeventig bestond in die kringen weinig waardering voor werkschuw tuig dat in communes woonde en naakt rondliep op popfestivals, onderwijl luisterend naar wat in de volksmond ‘kedellappermuziek’ werd genoemd. Met cultuur was in die dagen echt niemand bezig. De mensheid in Oost-Groningen werkte in de fabriek en ging op zaterdags naar het voetballen en zondags naar de kerk. Het enige uitje dat we kenden was een wandeling in de Sellinger Beetse of naar de speeltuin van Drouwenerzand.
De verschijning van een film, die een even belangrijk icoon voor de westerse cultuurbeleving zou worden als de Taj Mahal, Mona Lisa en Dolly Parton, liet de Kanaalsters volledig onberoerd. Het was in de Veenkoloniën wel doorgedrongen dat er iets als de jaren zestig aan de gang was, maar iedereen bleef het liefst zo ver mogelijk uit de buurt van mensen die glazig uit hun ogen keken en elke zin besloten met ‘weet je wel’. De enige geestverruimende middelen waar de working class zich aan waagde waren Skol-bier, Mateus-rosé en Caballero zonder filter.


Dat Sex Machine van James Brown bijzonder populair was op personeelsavonden van de machinefabriek waar mijn vader werkte, kwam alleen omdat het leek alsof Brown in het refrein een vies woord zei. Iedereen kende het als ‘dat nummer van Piethoane’. Mijn ouders luisterden thuis naar Demis Roussos, André Moss en The George Baker Selection. George Baker geldt nu als cool, toen wilde je dood nog niet naast zijn muziek worden gevonden, zelfs als vierjarige niet.
De jongeren zullen in die jaren meer cultuurbesef hebben gehad, ook zij kwamen niet verder dan ‘brommers kieken’ in de fietsenstalling van het Ubbo Emmius-lyceum en van brommers kieken naar een met drank en drugs doorspekte roadtrip door zonnig Californië was een lange weg.
Al hadden mijn ouders het gewild, het was in het Oost-Groningen van eind jaren zestig, begin jaren zeventig allesbehalve eenvoudig iets mee te krijgen van wat in de rest van de wereld gebeurde. Op een mooie dag werd het grijze standaardmodel telefoon geïnstalleerd en de zwart/wit televisie bood naast Nederland 1 en 2 slechts Duitsland 1 en 2. We keken naar Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen meneer?, Catweazle en Het kleine huis op de prairie. De radio bood meer vertier, maar volgens mijn vader waren David Bowie en Captain Beefheart ‘haalfmalen’ en als het met muziek al zo ging, hoefde je je geen illusies te maken over films.
Dat ik toch weet kreeg van het bestaan van Easy Rider kwam omdat de filmposter zeven jaar later nog steeds bij de oudere zus van een vriendje op de kamer hing. Het moest dus over iets bijzonders gaan, maar ik kreeg te horen dat dat niks voor kleine jongetjes was. Uit wraak gingen we, toen die zus er niet was, in haar kast snuffelen en hadden dolle pret met de witte raket onder de stapel handdoeken, vooral bij de gedachte dat ding in te smeren met Midalgan.
Als zestienjarige, op zoek naar rolmodellen, was ik uiteraard wel geïnteresseerd in denken en doen van werkschuwe dopeheads, maar toen was het inmiddels 1981 en gingen de gesprekken over aids, de aanslag op de paus, de aanslag op Reagan, de eerste vlucht van de Spaceshuttle en krakersrellen in godbetert Nijmegen. Bovendien was Johan Cruijff terug bij Ajax. In het weekeinde ging je naar discotheek Frascati, waar we vanuit een donker hoekje naar meisjes loerden, terwijl we luisterden naar Spandau Ballet, Anita Meyer en Rubberen Robbie. Die discotheek lag naast bioscoop Luxor, maar dat was verboden terrein. Daar draaiden ze seksfilms, eufemistisch aangeduid als Zweedse natuurfilms. Ik heb lang gedacht dat Knut & Helga Zweeds was voor Tom & Jerry.
Al had ik naar Luxor gemogen, Easyrider stond er niet meer op de rol. Al een hele tijd niet meer. Een bioscoop had destijds nog geen programma met klassiekers, voor mensen die in hun jeugd zijn blijven hangen. Ik was bovendien matig geïnteresseerd in films. Ik ben nu redacteur kunst & cultuur van de Groninger Gezinsbode en dat lijkt heel wat, maar ik kom echt uit een streek waar cultuur een vies woord was.
Op achttienjarige leeftijd had ik de focus op punk en een belangrijke eigenschap van een punker is dat hij hippies haat. In dienst kwam ik weer bij zinnen en begon onder invloed van westerse kamergenoten om mij heen te kijken en soms naar een film, maar in de bataljonskantine werd louter porno vertoond. Daar deed niemand geheimzinnig over. Een weekendje wachtlopen was een verschrikking, omdat je twee keer 24 uur onophoudelijk naar seks keek.
In de jaren daarna verdween het fenomeen film naar de achtergrond. Ik werkte in de drukkerij in ploegen, voetbalde op zaterdagmiddag en de rest van mijn vrije tijd zat ik in café ’t Pleintje. In de bioscoop kon je niet achter de meisjes aan en toen ik eenmaal het meisje had gevonden met wie ik verder door het leven wilde verdween de behoefte uit te gaan. Films kon je op televisie zien en er was niks leukers dan zaterdagsavond op de bank liggen.
Hoewel ik inmiddels geïnteresseerd ben in de schone kunsten en meer dan veertig jaar de tijd heb gehad een inhaalslag te maken, helemaal na de introductie van de dvd, heb ik Easy Rider pas in 2010 gezien. Dat gebeurde nadat Dennis Hopper was overleden en bioscoop ForumImages het document als eerbetoon op de rol zette. Artistiek directeur Frans Westra vroeg mij om een inleiding te verzorgen. Ik had hem ooit het boek Hells Angels van Hunter S. Thompson gegeven en ik leek hem wel iemand die een beetje in die scene zat. Dat vond ik een eer, want ik ben de eerste om toe te geven dat Easy Rider een even belangrijk icoon voor de westerse cultuurbeleving is als de Taj Mahal, Mona Lisa en Dolly Parton. Ik heb dit stukje (maar dan iets anders) voorgelezen, maar ik vond het eerlijk gezegd een enorme kutfilm.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen