zaterdag 2 juni 2012

Het mooiste meisje van de klas

Zwarte man Bill laat zijn gedachten gaan over mooi, knap, aardig en leuk. Het programma Klasgenoten, maar dan anders. Het is een lang verhaal. Vraag niet hoe het kan, maar profiteer ervan. Wij nemen u als lezer graag serieus.

      
       -   Wilt u een geluksvogeltje? vraagt de caissière van de C1000 terwijl ik
           de boodschappen op de lopende band in mijn tassen stop.

Ze kan de woorden amper uit haar strot krijgen, wat ik wel begrijp, want ze heeft al maandenlang een niet te verbloemen hekel aan mij. Waardoor ik op mijn beurt ook een hekel aan haar heb. Ik merk het telkens weer als ik de kassa’s van de C1000 nader met een vol winkelmandje. Als de caissière mij ziet, dan zie ik direct zo’n blik in haar ogen van “O nee hè, niet hij.” En bij mij is het precies hetzelfde, want ik denk dan “O nee hè, niet zij.” Indien mogelijk ga ik dan voor een andere kassa staan, hoelang de rij daarvoor ook moge zijn.
De oorzaak van de afkeer van de caissière voor mijn persoon kan niet liggen in de begerige blikken die ik op haar werp, want die werp ik niet. Het is niet omdat haar verschijning pijn aan de ogen doet, zeker niet, maar ik verlustig mij deze dagen liever aan leuke, rijpere types.
Toch is de caissière ontegenzeggelijk mooi. Een fijn gesneden gezichtje, lange blonde haren, grote blauwe ogen. Wat dat betreft is ze de Chantal Janzen van Haren, het dorp waar ik tegenwoordig woon. Maar dat zegt natuurlijk niets, want ik schat dat meer dan de helft van de meiden van rond de 17 jaar er onderhand zo uitziet. Allemaal Chantalletjes, dankzij beugeltjes en correcties. 

*

Toen ikzelf zo oud was – onderhand tweederde van mijn leven geleden – was een Chantal een zeldzaamheid. In Delfzijl – het havenstadje aan de Eems waar ik geboren en getogen ben – liepen er destijds maar twee van dat soort gevalletjes rond. De ene was Miss Delfzijl 1975, de andere voelde zich daar te goed voor.

Miss Delfzijl trouwde met haar jeugdliefde Pukkie. Iedereen was van mening dat ze beter kon krijgen. Pukkie zelf ook. Maar Miss Delfzijl vond hem nu eenmaal de leukste van allemaal. Voor haar was dat het enige dat telde.
Pukkie was een vriend van mij, een wilde jongen met halflang haar, een mopsneus en nimmer dovende pretoogjes. Hij droeg een afgedankte goudbruine jas van nepbont en hij was altijd te porren voor een geintje. Zo beklom hij op een warme lentedag in 1977 het statige herenhuis tegenover onze middelbare school. Nadat hij het dak van het drie verdiepingen tellende gebouw bereikt had, maakte hij een buiging waarvoor wij beneden enthousiast applaudisseerden. Maar toen de schoolbel ging durfde hij niet meer naar beneden. Waarop de rector hem daar de rest van de dag liet zitten en pas om vijf uur ‘s middags de conciërge naar buiten stuurde om Pukkie met een lange ladder weer naar beneden te halen.
Op een andere dag in datzelfde jaar zat ik bij hem achter op zijn Puch, toen hij me wilde laten zien hoe behendig hij was met zijn brommer. Het leek heel veel, maar eigenlijk was het niets. Hij zwierde een beetje zus en hij zwierde een beetje zo. Het ging steeds net goed. Totdat we langs de vijver in het Juliana Park in Delfzijl reden. Weer gaf Pukkie zo’n roekeloze ruk aan het hoge stuur en voordat we het wisten belandden we met ons tweetjes midden in de plomp.
Terwijl we nadien in zijn ouderlijk huis opdroogden gaf hij me een viltstift om daarmee een cartoon op de muur van zijn kamer te tekenen. In die kamer stikte het van de citroenplanten, waarmee hij de geur van de joint die hij ’s avonds rookte trachtte te verdoezelen. Wat niet echt hielp, want zijn moeder belde mijn moeder de volgende dag op om zich te beklagen over het feit dat ik haar zoon aan de drugs zou hebben gebracht. Waarop mijn vader mij middels een paar fikse tikken weer op het rechte pad bracht.
Eenmaal getrouwd timmerde Pukkie een bed voor zichzelf en zijn liefste in elkaar. Hij liet het mij zien in hun huurhuis aan de IJslandse Straat. Om het matras had hij een box van multiplexplanken gebouwd die zo breed was, dat die de hele slaapkamer in beslag nam. De kamerdeur kon niet eens meer dicht.
Terwijl de rest van ons na het eindexamen van de middelbare school naar Groningen vertrok om daar verder te studeren, bleef hij als enige achter in Delfzijl. Daar beschilderde hij de ramen van een sportwinkel in het centrum. Hij was er niet echt goed in. Zijn schilderingen van een honkballer, een voetballer en een tennisser zagen er ronduit knullig uit. Maar zo verdiende hij zijn geld. En dat bracht hij dan weer naar huis, waar Miss Delfzijl in het brede bed op hem lag te wachten, met een verleidelijke, uitnodigende glimlach op haar poppengezichtje.

*

-       Wat is een geluksvogeltje?
-        Dat is dit vrolijk oranje poppetje, zucht de caissière, dit krijgt iedereen die voor
     meer dan € 25 aan boodschappen besteedt bij de C1000.
-       Heb ik meer dan € 25 aan boodschappen? vraag ik verbaasd.
-       U moet € 26,70 betalen, meneer, spuugt de caissière er bijna uit.

*

De tweede Chantal in Delfzijl – degene die zich te goed voelde voor de Miss verkiezingen – had het ook voor het kiezen. Alle jongens in de omgeving liepen achter haar aan. Ik ook. Maar de enigen die iets met haar mochten waren de echt coole guys. Daar behoorde ik niet toe. Lars wel.
Lars was een boerenzoon uit de buurt van Loppersum. Hij was maar twee turven hoog. Ook bij Chantal Numero Twee kwam hij hooguit tot bij de oksel. Maar zijn gebrekkige lengte zei niets, want wij scheten allemaal zeven kleuren stront voor dat kleine mannetje. Je moest er niet aan denken ruzie met hem te krijgen. Hij kon je namelijk in een fractie van een seconde vloeren om je vervolgens helemaal lens te slaan.
Daar paste de rest van ons voor, net zoals het mooiste meisje van de klas voor ons paste. Teleurgesteld legden we ons erbij neer nooit het mooiste meisje te mogen bezitten. In plaats daarvan zouden we nu de meisjes van de tweede garnituur, de zogeheten leuke meisjes, het hof moeten maken. Het was een bittere pil om te slikken.

Wellicht had het agressieve haantjesgedrag van Lars met zijn lengte te maken. Destijds wist ik dat niet en dacht ik ook helemaal niet over dat soort dingen na. Voor mij als zeventienjarige waren heel veel zaken nu eenmaal zo omdat ze zo waren. Ik ging naar het Atheneum, kampte met mijn laatste puistjes, luisterde naar Pink Floyd en smachtte naar de meisjes. Waarom het allemaal zo was, was een vraag die in die dagen nauwelijks in mij opkwam. Ik wist alleen maar dat het zo was.
Nu ben ik 52 jaar oud, iets bedaarder en begrijp ik wat meer van oorzaak en gevolg. Neem bijvoorbeeld Wesley Sneijder, de kordate terriër van het Nederlands elftal dat over iets meer dan een week de Nederlandse eer zal gaan verdedigen op het EK2012 in Oekraïne. Ik zie hem dagelijks in mijn buurtsuper. Niet in het echt natuurlijk maar als levensgroot plakkaat. Zogenaamd dan, want als plakkaat torent hij ver boven mijn één meter tachtig uit. Wat nergens op slaat, want in het echt is Wesley slechts één meter zestig groot. Daar laten de commerciële jongens van de C1000 zich echter niet door van de kaart brengen. Een beetje superheld is gewoon twee meter lang. Dus ook Wesley. Punt. Maar in werkelijkheid is hij gewoon een klein mannetje.
Ik durf hier en nu te stellen dat als Wesley van gemiddelde lengte was geweest – zeg één meter tachtig – we nooit iets van die jongen gehoord zouden hebben. Juist dat tekort aan lengte moest hij op de een of andere manier zien te compenseren. Enerzijds door de voortreffelijke middenvelder te worden die hij nu is. Anderzijds door Miss Volendam 2005 van een populaire volkszanger af te pikken.

Als ze niet van verschillende generaties waren geweest, dan had Wesley de tweelingbroer kunnen zijn van Lars.

Lars reed op een Kreidler brommer. In tegenstelling tot de Puch van Pukkie was een Kreidler een echte buikschuiver. Zo’n Puch met een verlengd stuur reed je omdat het gezellig was, omdat je met je lange haar in de wind achterover wilde hangen, maar op een Kreidler ging het om de snelheid, op een Kreidler lag je met je buik plat op de benzinetank.
Lars ging vaak erg snel. Om het iedereen voor de zoveelste keer te bewijzen dat hij de snelste was, reed hij op een dag voor school zo ontzettend hard op zijn opgevoerde brommer, dat hij verderop uit de bocht vloog. Van waar wij stonden zagen we hoe zijn Kreidler recht vooruit racete tot in de tuin van de geschiedenisleraar terwijl Lars zelf alle kanten uit stuiterde over het grimmige asfalt. De meiden in ons clubje dat zich voor de schoolpoort verzameld had sloegen de handen voor de mond, terwijl wij jongens het vol ongeloof aanzagen.
Snel renden we naar de ongelukkige Lars toe, die wanhopig probeerde weer op te staan. Maar telkens als hij daarbij zijn rechterbeen strekte, trok er een van pijn vertrokken grimas over zijn gezicht. Het was niet te doen. Uiteindelijk bleef hij maar op de weg zitten.
Met een gebroken been werd Lars in het ziekenhuis in Delfzijl opgenomen, waar hij een hele week lang moest blijven liggen. Wij zegden allemaal toe hem daar op te zoeken, maar niemand van ons zou het echt doen. De enige die elke dag bij Lars op bezoek ging was Chantal Numero Twee. Ze nam chocolade mee en plakjes worst uit de vleesafdeling van de HEMA in het centrum van Delfzijl, waar zij elke zaterdag werkte. Iemand zei dat Chantal Numero Twee zelfs bloemen voor Lars had meegebracht.

*

-       Maar wat moet ik met een geluksvogeltje?
-       Het is een aardigheidje voor tijdens het EK2012 in de Oekraïne,
     antwoordt de caissière met bijkans samengeperste lippen.
-       Is het niet gewoon Oekraïne in plaats van De Oekraïne?

Ik flap het eruit voor ik er erg in heb, maar de caissière kijkt me nu ongemeen pissig aan. Gelijktijdig voel ik mijn eigen wrevel omhoog komen. Als die trut het mij moeilijk wil maken, dan kan ze van mij hetzelfde verwachten.

-       Zie het geluksvogeltje als een symbolische ondersteuning van onze jongens
     tijdens het EK2012, zegt ze.

Het klinkt alsof ze geïnstrueerd is door het management van de C1000 het zo te zeggen. Feitelijk, aansporend. Toch proef ik er een lichte laag van gal in.

-       Hebben die jongens…

Ik wijs daarbij naar de levensechte plakkaten van Nederlandse topvoetballers als Wesley Sneijder en Klaas Jan Huntelaar.

-        … het echt nodig dat ik ze daarbij ondersteun? Symbolisch of niet?
-       Weet ik veel, zucht de caissière, anders geeft u het geluksvogeltje toch aan uw kleinkinderen?

Nou klinkt ze dus pas echt vals.

*

Ondanks zijn intellectuele capaciteiten zou Pukkie nooit gaan studeren. Hij zou Delfzijl ook nooit verlaten.
Begin jaren tachtig begon hij een kiosk voor oorringetjes op de hoek van de Landstraat en de Singel. Ik ging er eens op bezoek. Het was er erg klein. Piepklein. Qua oppervlakte was het niet meer dan een vierkante meter. Ik bleef buiten op straat staan, terwijl Pukkie binnen zijn minuscule winkeltje een kopje koffie voor me inschonk. Ook dat dronk ik buiten op.
Vanuit zijn kiosk hielp hij zijn klanten – louter middelbare schoolmeisjes – door al zijn ringetjes op een zwart bord te tonen. Hij had een stuk of zes van die borden, met op elk bord 20 paar ringetjes geprikt. Als hij bij een van die meisjes een gaatje moest prikken, dan deed hij dat ook vanuit zijn kiosk. Het was een raar gezicht. Dan boog zo’n meisje eerst haar hoofd naar voren en vanuit de kiosk verscheen zijn hand met een in alcohol gedoopt watje, waarmee hij het oor van het meisje insmeerde en vervolgens zag je dezelfde hand naar buiten steken met het gaatjespistool.
In de herfst en de daaropvolgende winter ging het evenwel zo slecht dat hij erover dacht zijn zaak te sluiten. Gelukkig maar dat Miss Delfzijl onderhand als telefoniste werkte in het ziekenhuis. Zo was er in elk geval nog één bron van inkomsten waar het jonge stel van kon bestaan.
Toch bleef Pukkie altijd de opgewekte snuiter, zoals ik hem kende.

Nog maar net uit het ziekenhuis liet Lars zijn Chantal Numero Twee vallen als een baksteen. Niemand wist waarom. Op zaterdagavond in de dancing versierde hij de ene na de andere meid en dat deed hij dan zo, dat Chantal Numero Twee het wel moest zien. Het brak haar hart en een tijdlang was ze de weg goed kwijt. Aanvankelijk deed ze hetzelfde als Lars, maar voor haar werkte het niet. Ze slow danste met iedereen, maar halverwege het nummer verbrak ze steevast de omhelzing en liep dan naar de kant. We dachten dat het ermee te maken had dat ze eraan gewend was geraakt tijdens zo’n dans het hoofd van de jongen tussen haar borsten te voelen.
Mocht ze al eens tongzoenen met iemand anders, dan kwam Lars prompt tussenbeide, gaf de betrokken jongen een pets in het gezicht en kuste Chantal Numero Twee voor een moment vol op de mond. Zij was dan weer wekenlang daas, zelfs als Lars in de daaropvolgende dagen met de ene na de andere boerentrien achterop zijn Kreidler voorbijreed.  

Het was niet om aan te zien.

In het eindexamenjaar van het Atheneum kreeg Chantal Numero Twee vaste verkering met Dolf. Die was twee jaar ouder dan ons en ook al twee keer blijven zitten. Dolf was een nog groter haantje dan Lars ooit geweest was. En Dolf duldde van niemand tegenspraak. Alles wat Dolf zei was namelijk waar. Aldus Dolf. We lieten hem maar in die waan, maar onder elkaar fluisterden we dat dergelijke grootspraak er vast de reden van was dat hij tot nu toe al tweemaal een jaar gedoubleerd had. Daar was iedereen het over eens, behalve een domme gans die bij hoog en laag volhield dat Dolf bewust was blijven zitten, om zo in de gelegenheid te komen naast Chantal Numero Twee in het klaslokaal te kunnen zitten.
Hoe dan ook liet Dolf zich door niemand de kaas van het brood eten, ook niet door Lars, die vanaf dat moment ver bij Chantal Numero Twee uit de buurt bleef.

*

-       Wilt u dat geluksvogeltje nog of niet?

Ik kan de irritatie in de stem van de caissière nu bijna proeven. Het interesseert me niet of ze me lelijk vind, of oud, of vadsig. Het zal wel. Waar ik nu stiekem van geniet is haar verslagenheid, want juist tegen mij moet dit prinsesje nu klantvriendelijk en behulpzaam zijn. Er is hier niemand die voor deze schoonheidskoningin buigt, maar zij moet dat nu wel voor mij doen. Ha!

*

Toen ik eind jaren zeventig naar de grote stad was verhuisd schakelde ik er al snel een tandje bij. Weliswaar had ik nog steeds geen cent te makken, maar ik feestte erop los dat het een aard had. In mijn studententijd kwam ik volop tot bloei. En als ik ’s ochtends vroeg stomdronken weer naar de studentenflat in Selwerd waggelde, zag ik Chantal Numero Twee geregeld voorbij fietsen met een klein kindje achterop. Eerst eentje, daarna twee en uiteindelijk zelfs drie.
In het begin groetten we elkaar nog, maar op den duur deden we dat niet meer. Als vreemden passeerden we elkaar, ook al wisten we dondersgoed wie we ooit waren geweest.

Zelfs Pukkie zou ik in de loop der tijd uit het oog verliezen. Als ik bij mijn ouders in Delfzijl langsging, dan kwam het er steeds minder van ook mijn oude schoolvriend aan de IJslandse Straat te bezoeken. En in het centrum van het havenstadje zag ik hem evenmin. Zijn kiosk was op een dag gewoon verdwenen.
Van mijn moeder hoorde ik in 1999 dat Pukkie plotseling bezweken was aan een hersentumor. Ik kon het niet geloven, zelfs niet toen mijn moeder mij de overlijdensadvertentie liet zien.
In 2005 vond de laatste reünie van de middelbare school plaats. Ik ging erheen en zag in al die drukte ineens Miss Delfzijl 1975. Ze keek me enigszins verlegen maar vriendelijk aan. Ik had op haar af moeten stappen en haar mijn condoleances moeten aanbieden. Maar ik deed het niet. Ik knikte kort en liep door.

In 2010 werden we allemaal 50. Op een van die feestjes kwam ik Chantal Numero Twee weer tegen. Ze was nog steeds bloedmooi, zelfs nu ze een jonge oma was. Alle drie kinderen waren goed terecht gekomen en het tweede kleinkind was inmiddels op komst. Ik stelde me zo voor dat ze alle reden had om blij en tevreden te zijn, maar dat was ze niet.
Haar echtgenoot Dolf had het plan opgevat om een praktijk te beginnen in het oosten van Frankrijk en er was niets of niemand om hem van dat onzalige voornemen af te brengen. En dat terwijl haar kinderen hun moeder juist in deze fase van het leven extra nodig hadden.
Ik mompelde geruststellende woorden over leven als God in Frankrijk, over het aangename weer daar, over het lekkere Franse stokbrood en hoe men tegenwoordig dankzij budgetvliegreizen, TGV verbindingen en perfecte snelwegen binnen een dag weer terug kan zijn in Nederland, maar het hielp niet. In haar gezicht bleef ik vooral de paniek lezen alsof de bodem onder haar bestaan nu definitief aan het afbrokkelen was.  

*

-       Wilt u deze geluksvogel nu of niet?
-       Ik denk er nog even over na, antwoord ik.

Er staat ook geen andere klant achter mij in de rij vanavond in de C1000, dus de caissière kan mij onmogelijk wegsturen. Dat zal haar leren. Ha!

*

De belangrijkste les die ikzelf eind jaren zeventig leerde was dat de leukste meisjes bijna nooit dezelfde zijn als de mooiste meisjes.
De leukste meisjes staan minder vaak voor de spiegel, maar lezen boeken of beschilderen paaseitjes met hun zusjes.
De leukste meisjes zijn een beetje mollig omdat ze zo graag noga snoepen.
De leukste meisjes helpen hun pa met het schoonmaken van de melkbussen, als die klaar is met het melken van de koeien.
De leukste meisjes hebben een blos op hun wangen van het alsmaar fietsen in tegenwind.
De leukste meisjes hebben gevoel voor humor.
En ook al zijn ze dan misschien niet moeders mooiste, als je het geluk hebt in hun gezelschap te verkeren en wat langer naar ze mag kijken, dan verschijnt hun schoonheid als vanzelf. Dan blijken ze stukken mooier te zijn dan de mooiste meisjes van de klas, sexier ook.

Tegenwoordig kun je amper meer spreken van het mooiste meisje van de klas, want die ene stralende enkeling bestaat niet meer. Met behulp van vroegtijdige correcties, de in kekke boekjes verkrijgbare praktische tips van supermodel Daphne Deckers en tv-programma’s als “Holland’s Next Top Model” en “Catwalk” hoeft geen enkel meisje nog langer meer een lelijk eendje te blijven. Een korte rondgang langs de middelbare scholen leert dat zowat 80% van de aanwezige vrouwelijke scholieren het predicaat van Mooiste Meisje Van De Klas verdient. Waarmee deze kwalificatie dus aan een gigantische uitholling ten prooi gevallen is. Want wat ben je eigenlijk als iedereen nu het mooiste meisje van de klas is? Ja, je bent niet die lelijkerd achter in het schoollokaal, maar wat ben je dan wel?

*

Ik kijk de caissière nu recht in de ogen. Al haar minachting voor mij schuif ik terzijde. Ook mijn eigen weerzin jegens haar. Het enige wat ik zie zijn twee blauwe ogen, met daarachter een jong meisje dat het nu ook nog niet allemaal weet. Mooi is ze wel – dat kan ik ook objectief vaststellen – maar of zijzelf ooit een geluksvogel zal zijn, of juist een pechvogel, dat weet ik niet.

Eigenlijk hoop ik het eerste.

© Bill Mensema

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen