dinsdag 3 juli 2012

Hoe Anton Tsjechov het voetballen in de Veenkoloniën introduceerde

De titel van dit door zwarte man Sandman geschreven verhaal laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De tekst verscheen eerder in delen in de Veendammer en het Streekblad, als onderdeel van de Gelukscompagnie in Zuidwending. De laatste aflevering staat gepland voor de krant van vanavond. We hebben dus een heuse primeur. Volgens Sandman is deze voor de blog aangepaste versie langer en beter. Zwarte mannen! Altijd goed voor een kwaliteitsimpuls. 


Met een verkrampt gezicht kwam de oude Sprik overeind. Hij bevoelde zijn rug. Wooh, dat deed zeer. Everhard wilde dat ze opschoten met de landbouwmechanisatie. Dit was geen doen meer. Hoe lang moesten ze nog met de hand aardappelen rooien? Anno 1892! Waar waren die knappe koppen mee bezig? Rudolf Diesel had net een nieuwe motor ontwikkeld, het wiel bestond al en één en één was nog steeds twee. Bedenk een machine die landbouwwerktuigen voorttrekt, hoe moeilijk kon het zijn? Hij zag zich al achter het stuur van zo’n ding, raggend over de Veenkoloniale akkers.
Al dromend over de toekomst van de wereld en die van het dorpje Zuidwending en zichzelf in het bijzonder, keek Sprik in de verte. Dat deed je op het platteland meestal als je even uitrustte. Soms, met de buurman erbij, knikte je bezorgd richting de donkere lucht en mompelde iets van ‘n logt as n schietpot, oal’. Sloeg nergens op, maar dan leek het alsof je er versta … hé, zag hij in de verte iemand lopen? De landbouwer ging op zijn tenen staan en rekte zich uit, maar dat was dom. Het schoot hem nog verder in de rug. Godverdejanpeerdekeurel, net of er een zeis in zijn reet werd geramd.
Om de pijn te verlichten stopte Everhard een mengsel van tabak en medicinale hennep in zijn pijp en stak er de brand in. De drug hielp. Makkelijk hoor, dat ze dat in Pekela verbouwden. De bezwaren van de dokter over de mogelijkheden van verslaving wuifde Everard weg. Hij dronk al dertig jaar elke dag een paar borrels en was toch ook niet aan alcohol verslaafd? Je had gewoon mensen die zich slecht ontspanden. Nou, hij was zo iemand. Een borreltje en een blowtje op zijn tijd, niks mis mee.
De wandelaar was dichterbij gekomen en toen zag Sprik dat het een vreemdeling was. Geeneen van Zuidwending. Met een zwaar accent stelde de man zich voor als Anton Pavlovitsj Tsjechov. Er volgde een heel verhaal, maar Everhard, die al wat dovig werd, hoorde alleen iets dat klonk als ‘ik ben Anton en ik ben bekoaf’.
De Veenkolonialen stonden in die dagen bekend om hun gastvrijheid en omdat Everhard het welletjes vond voor dat moment, noodde hij de gast bij hem thuis. Ada had de bruine bonen met reuzel vast al op staan. Sprik was toe aan een glaasje spiritus en Anton zo te zien ook. Die zag er afgeleefd uit. Alsof ie de halve wereld was rondgelopen. En wat kleedde die man zich ánders. Een wijde broek, meer grauw dan wit, een halflange zwarte jas met hoge kraag en op zijn hoofd een dikke bontmuts. Zo’n ding was trouwens net wat voor mij, dacht Sprik, zijn scheiding werd immers steeds breder. Iets waar zijn vrouw hem graag mee plaagde.
‘Waar verstand zit kan geen haar zitten’, bromde Everhard dan.
‘Nee,’ counterde Ada steevast, ‘op een lege schuur hoeft ook geen dak.’
In een walm van tabak en hennep trad Everhard binnen. Ada wilde hem net een rappellement geven, toen ze zag dat er iemand mee was. Ze zuchtte. Die kerel van haar leerde het nooit. Hij haalde echt Jan en alleman maar binnen. Een vreemdeling ook nog. Op haar vragende blik zei de oude Sprik: ‘Dit is Anton en hij is bekoaf.’
‘Nee, Tsjechov.’
Whatever. We hebben honger en zin aan een borrel.’
Ada zuchtte nog eens, maar als gastvrije Veenkoloniaalse had ze weinig keus. Ze pakte de fles, schonk in en slofte naar de keuken. Ze wilde dat ze opschoten met de emancipatie. Waar wachtten die suffragetten op? Het was potdorie 1892. Dit was geen doen meer. Gelijke rechten, baas in eigen broek en weg met de beha. De kippen los in ’t hok. Na tien kinderen ging de handel toch hangen, beha of geen beha. Ze gaf een trap tegen het houtgestookte fornuis. Een gammel kutding, maar ja, het zou nog een halve eeuw duren voordat ze bij, kom hoe heet hij, die in Kolham, Boer Boon ja, aardgas gingen ontdekken, dus daar had ze nu effe niks aan. Waarom kon dat trouwens niet eerder? Dan ging alles veel sneller en had zij ook eens een moment voor zichzelf, met een glaasje sherry. Of twee.
Terwijl Ada in de keuken stond deed Tsjechov zijn verhaal. Hij bleek 32 te zijn en uit Rusland te komen. Jonge kerel, oude kop, dacht Everhard, maar dat zei hij natuurlijk niet. De gast had volgens eigen zeggen meer dan tweeduizend werst afgelegd.
‘Hoeveel is een werst?’
‘Een werst is als ik duizend keer een stap doe’, lichtte Tsjechov toe.
‘Zeg een kilometer dus.’
Vandaar die ouwe kop, dacht Sprik meteen. Wat ik dacht: die vent is bekaf.
Anton bleek de zoon van een kruidenier, geboren en getogen in de Zuid-Russische havenstad Taganrog. Hij woonde nu in Moskou. Anton had voor arts gestudeerd, maar na twee jaar een eigen praktijk vond ie het best. De mensen waren stronteigenwijs. Ze rookten als ketters, dronken als Tempeliers en als je er wat van zei, wuifden ze de bezwaren weg. Everhard begon te hoesten.
‘Nóg meer roken’, klonk het vanuit de keuken.
‘Ach, vrouwmens…, blafte de oude Sprik, ‘… en wat doe je nu?’
‘Ik ben schrijver.’
‘Schrijver?’
‘Ja. Korte verhalen, toneelstukken, dat soort stuff.’
‘Oh.’
Daar kon Everhard niks mee. Veenkolonialen waren geen schrijvers. Ook geen lezers trouwens. Gewerkt moest er worden. Op het land, in de molens, in de bakkerijen, in de fabrieken. Van ’s maandags vroeg tot en met zaterdagochtend. Op zaterdagmiddag ging je in de tuin en zondag was een rustdag. Aangezien ook de electrische verlichting op zich liet wachten, lag je ’s avonds vroeg in bed.
‘Waar schrijf je over?’
‘Van alles. Mijn verhalen hebben titels als Een verschrikkelijke nacht, Het drama van de jacht, Vijanden, Paardendieven en Het duel.
‘Klinkt niet best,’ zei Everhard.
‘Ik heb net een verhaal af dat heet Mijn vrouw.’
‘Je vrouw?’
‘Nee. Mijn vrouw.’
Wat een onzin, dacht Everhard, wie schreef er nu over zijn vrouw? Vrouwen zeurden. Over het huishouden, over het eten, over dat je niks met de kinderen deed. Daar had deze Anton over geschreven? Dat las natuurlijk niemand. Aardige kerel op het eerste oog, maar dat werd natuurlijk geen beroemde schrijver.
‘Onderweg kwam ik op het idee van een toneelstuk. Zou iets kunnen worden. Ik noem het voorlopig De Meeuw.’
Een Meeuw? Dat klok helemaal dom. Maar hij hield zich koest. Je moest beleefd bleven. Dus zei Everhard geïnteresseerd: ‘Geinig.’
‘Nou, ‘t is niet echt geinig,’ verklaarde Anton, ‘het gaat over de problemen van de mensen. Dat intrigeert mij. Er is gedoe over het beheer van een landgoed en er zijn er wat verliefd op elkaar en…’
‘Jajaja,’ kapte Everhard hem af, ‘same shit, different day. Zeg eens, wat doe je hier in Zuidwending?’
Anton sloeg zijn spiritus achterover en zei: ‘Dat is een lang verhaal.’
Het zou eens geen lang verhaal zijn, dacht Everard, maar hij maakte een in die dagen bekend grapje: ‘Vertelvertelvertééél.’
Tsjechov trok zijn wenkbrauwen op en stak van wal. De hoofdpersonen in zijn boeken, daar was wat mee. Zoals gezegd, dat interesseerde hem. Daar kon je ook wel iets mee in een verhaal, dat gaf er een beetje sjeu aan. Als alles goed ging, was er niks aan. Hij had lang kunnen putten uit dat wat hij in zijn artsenpraktijk had meegemaakt, maar die bron bleek ietwat opgedroogd. Dus had de schrijver aangekondigd dat ie naar Sachalin ging. Daar begreep niemand een ruk van. Wat moest hij daar, in het uiterste oosten, in dat onherbergzame gebied?
‘Ik zei dat ik de strafkampen wilde bezoeken. Om nieuwe inspiratie op te doen. Dat vonden de mensen een plausibele verklaring. Ze wisten immers dat ik veel over problemen schreef. Nu ben ik in april 1890 inderdaad op pad gegaan, maar niet naar Sachalin.’
‘Nee?’
‘Nee. Ben je mal? Wat zou ik daar moeten doen? Wat valt er in vredesnaam over te schrijven? Dat de gevangenen het zwaar hebben? Dat ze slecht te eten krijgen? Dat weet iedereen allang. Dáárom zijn die werkschuwe filosofen er juist heengestuurd. Ons volk is wel klaar met die denkers. Lullen, anders doen ze niks, de hele dag lullen. Het gaat niet goed met het land, proletariaat dit, arbeiders dat, enfin je kent het wel, dat zal hier weinig anders zijn. In Siberië leren ze eens werken voor de kost. Ik ga er wel een boekje over schrijven, dat noem ik waarschijnlijk De reis naar Sachalin en dat leuk ik wat op met beschrijvingen van het woeste landschap en zo, nou ja, da’s allemaal niet zo moeilijk, maar die reis is een dekmantel.’
‘Oh.’
‘Ja, want ik ben de andere kant op gegaan. Deze kant.’
Everhard riep naar de keuken dat Ada moest bijschenken.
‘Doe ’t zelf. Fles staat voor je’, schreeuwde ze terug.
De oude Sprik keek voor zich. Verrek, ze had gelijk.
Onderwijl hij de glazen nog eens vulde, ging Tsjechov verder. Hij had een opdracht van tsaar Alexander III. Dat was niet echt een leuke man, een vrij reactionair type zelfs, die niks had met de ideeën van zijn vader om de Russen meer autonomie te geven. Toen paps, Alexander II dus, in 1881 was vermoord, herstelde zoonlief de orde. Liberale ministers konden moven, de staatstoezicht op alles werd verscherpt en opstandelingen en dissidenten mochten in Siberië gaan zakjes plakken. Tsjechov schetste in het kort de politieke situatie van zijn land, maar politiek had Everhard nooit geïnteresseerd. Als ze maar van zijn land en vrouw afbleven. Er was één positief aspect aan Alexander. Hij focuste zich op het westen. Duitsland en Frankrijk en hij kon goed overweg met Jan Evert Scholten.
‘Die ken ik!,’ riep Sprik, ‘die kerel is stinkendrijk. Foxhol woont ie. Bij zijn pa en moe. Die hebben een bult fabrieken.’
Tsjechov beaamde dat Rusland hem kende als de eerste landbouw-industrieel, met zijn ondernemingen in binnen- en buitenland, waar onder meer aardappelmeel, aardappelmoutwijn, strokarton, suiker, stroop en turfstrooisel werden gemaakt. Daardoor was hij interessant, want in Rusland waren ze qua voeding niet verder gekomen dan aardappelmeelpap. Ze teelden aardappelen, maar hadden geen idee wat er mee aan te vangen. Ze droogden ze, maalden ze tot meel en maakten daarvan pap, het basisvoedsel van miljoenen Russen. Toen de tsaar hoorde dat Nederlanders aardappels kookten of bakten, met uitjes en spekjes, wilde hij daar meer van weten en besloot hem, Tsjechov dus, naar de Veenkoloniën te sturen. Een schrijver was bij uitstek geschikt. Dat waren meesters in het observeren en wat ze zagen konden ze goed opschrijven. Om eerlijk te zijn had Anton niet veel op met Alexander III en zijn ideeën, maar het betaalde lekker en de kachel moest roken, nietwaar? Tsjechov had de taak contact te leggen met Scholten en hem over te halen fabrieken in Rusland te bouwen.
‘Een vraagje: je zei dat je in 1890 op pad was gegaan.’
‘Ja?’
‘Nou…,’ hij draaide zich om en schreeuwde naar de keuken, ‘Ada, welk jaar is het?’
‘Weet je dat zelf niet?’
‘Ik kom er even niet op.’
‘Nog meer zuipen.’
‘Toe...’
‘1892.’
‘O ja. ik bedoel… precies. Je wil toch niet zeggen dat je twee jaar onderweg was?’
‘Ja.’
 ‘Sjezus.’
‘Nou ja, Moskou is niet naast de deur. Ik mocht geen koets mee, dat zou maar opvallen. Alexander III wilde absoluut geen pottekijkers. Ik liep dus eerst helemaal verkeerd. Ik kwam op zeker moment in een dorp waar ze Grüss Gott zeiden. Oh-oh, dacht ik, dat is heel ver uit de richting. Die stomme wetenschappers van de Moskouse universiteit hadden me een astrolabium en een sextant mee gegeven. Kon ik niks mee. Rommel. Maar nu ben ik hier. Bijna bij Scholten. Heb je zijn adres?’
‘We hebben geen adressen,’ bromde de oude Sprik, ‘we hebben nog maar net namen. Vroeger zeiden we ‘Hé doe’, nu is het van ‘Hé Geert, Hé Hendrik, of Hé Floris-Jan. Napoleon heeft dat ingevoerd. God mag weten waarom. Typisch een kwestie van waarom makkelijk als het moeilijk kan. Met die achternamen erbij is het helemaal ingewikkeld. De een heet Wilkens, de ander Ten Horn, weer een ander Duintjer, Jonker of Oldenburger. Een enorm gedoe. Adressen kunnen we er daarom nog even niet bij hebben. Loop maar gewoon naar het grootste huis in Foxhol. Nog een spiritus?’
One for the road’, grapte Tsjechov, maar dat begreep Everhard niet.
Tsjechov zou de volgende dag naar Scholten gaan. Er was wel even het probleem van de overnachting. Hotels bestonden niet in de Veenkoloniën omdat niemand er voor zijn plezier heen ging. Sprik toonde zich een uitstekend gastheer en zei dat ie zo lang op Zuidwending mocht blijven als hij wilde. In plaats van drie bij drie, gingen de kinderen vier bij vier in de bedstee liggen en zo kwam er een slaapplek vrij.
Uit brieven, bewaard in de archieven van het Veenkoloniaal Museum, is alles bekend over het verblijf van de Russische schrijver in het Veenkoloniale dorpje. Die brieven waren gericht aan zijn vrouw, actrice Olga Knipper. De posterij stond in die dagen echter nog in de kinderschoenen. Om de kosten te drukken hadden ze burgers gevraagd om brieven en pakjes rond te brengen, maar dat werkte voor geen meter. Iedereen deed maar wat. Aangezien ze alles lopend moesten doen, weigerden de postbodes de brieven naar Moskou te brengen en dus stopte de vestigingsmanager van kantoor Veendam ze weg in het archief van de Rijks Hogere Burgerschool, het latere onderkomen van het Veenkoloniaal Museum. In een van die brieven, gedateerd op 9 september 1892, schreef Tsjechov:


Liefste Olga,

Ik ben eindelijk aan beland in een mij onbekende streek, alwaar de bewoners ruige types lijken. Ze hebben brede kaken, donkere ogen en harde gezichten, vermoedelijk van het vele werken in den open lucht, want het is hier een landbouwgebed. Ze drinken veel en hoesten en boeren een ander recht in het gezicht, maar het zijn goudeerlijke luiden die het weinige dat ze hebben met anderen delen. Ik ben te gast bij de familie Sprikovitsj, de heer des huizes heet Everardonin en de plaats noemt men Zuidwendingrad. Ik zal hier enige tijd blijven en mij op de hoogte stellen van hoe de mensen hier worden gevoed. Vooral met de aardappel. Die eten ze gewoon. Kun je je het voorstellen? Niet normaal toch? Ook hebben ze hier groentes, lang van vorm en oranje van kleur. Knap hoe zij groenten kweken in de kleur van den nationalen wimpel. Weer eens iets anders dan die eeuwige bieten. Enfin, het gaat mij hier goed. Wij gaan zo aan tafel en aleerst drinken wij een neutje, dat qua kleur en alcoholpercentage gelijkt op onzen wodka. Ze noemen het hier spiritus en er zit veel meer smaak aan.

Liefs, je Antoninnetje


Tsjechov bleef meer dan twee jaar in de Veenkoloniën. ’s Ochtends liep hij naar Scholten voor zaken, ’s avonds keerde hij terug naar Zuidwending. Tijdens die wandelingen observeerde hij de omgeving. De schrijver zag de ellenlange kanalen, over welke de turf naar de stad werd vervoerd, keek hoe de Veenkolonialen het land bewerkten en legde gewoonten en gebruiken vast. Dat is te herleiden uit vertellingen als De boeren (1897), Kruisbessen (1898), De dame met het Hondje (1899), De bisschop (1902) en De Kersentuin (1903), die overduidelijk Veenkoloniale elementen herbergen. Een minder positief aspect is dat hij er waarschijnlijk de turberculose opliep, waaraan hij in 1904 zou overlijden. Daarvan gaf Ada haar man de schuld.
‘Waar slaat dat nou weer op?’
‘Je hoestte hem steeds recht in het gezicht. Ik zei nog: hand voor de mond. Dit heb je er nu van. Arme man.’
‘Het is toch niet te geloven: ik krijg echt o-ve-ral de schuld van.’
Tsjechov arriveerde in september 1892. De herfst en winter van dat jaar waren bar en boos. Zijn lichaam, vermoeid door de lange reis, verzwakte verder door de aanhoudende noordoosten-wind en slagregens en ondanks de verkwikkende werking van een glaasje spiritus op zijn tijd, waarbij Everhard gezellig meedeed, was hij soms tot op het bot verkleumd. Hij schreef vanuit Zuidwending meer dan honderd brieven aan Olga. Die hebben zijn vrouw nooit bereikt. Omdat ze maar niks hoorde kon Anton, toen hij eindelijk thuiskwam, wat haar betreft in een keer doorlopen naar Kamtsjatska of Sachalin. Het verdriet om de houding van zijn geliefde zal het ziekteproces hebben versneld.
Uit de brieven blijkt wel dat Tsjechov het in die twee jaar naar zijn zin had. Hij genoot ervan de arbeiders te observeren en hij en Everhard zaten vaak nog even na te praten. Soms wandelden ze wat door de omgeving, bijvoorbeeld richting Pekela.
‘Groot dorp’, merkte Tsjechov op.
‘Ja, het groeit wat uit zijn voegen’, beaamde Sprik.
‘Waarom delen ze het niet op?’, opperde de Rus, ‘Je hebt een oud en nieuw gedeelte. Nou, dat noem je Oude- en Nieuwe Pekela.’
‘Boven dat nieuwe gedeelte gaat het nog een stuk door.’
‘Simpel: Boven-Pekela.’
‘Vind je dat niet raar? Oud, Nieuw en dan ineens Boven?’
‘Ach nee joh, valt niemand op.’
Op een van de zeldzame zomeravonden, het was inmiddels 1894, wandelden de mannen richting Veendam. Dat was een grote plaats. Een gemeente met veel parken. En een grote haven. Sprik vertelde over de honderden kapiteins Hazewinkel die vanuit hier de wereldzeeën bevoeren en over de grote vervener, Adriaan Geerts Wildervanck, stichter van Veendam en Wildervank. Uiteraard vertelde hij de bekende anekdote van Margaretha Hardenberg, de vrouw van Adriaan Geerts. Zij lag op een middag op de hei te dutten en werd wakker omdat er een adder om haar arm kronkelde. De angstige vrouw beloofde toen aan God dat ze op die plek een kerk zou bouwen, als ze niet gebeten werd. Zo geschiedde.
‘Je moet ook nooit op de hei gaan slapen’, mopperde Tsjechov, ‘al vind ik haar reactie wat overdreven. Zo giftig is een adder niet. Een cobra, ja, dan kun je bang zijn.’
Ze liepen verder over een lange weg, waar verder weinig te doen was. Het land eromheen bleek leeg. Tsjechov stond er een tijdje stil en keek om zich heen. Na een tijdje zei hij: ‘Doet me denken aan de Vladimirski trakt.’
‘De watte?’
‘De Vladimirski trakt. De weg die ik eigenlijk had moeten nemen. Richting Sachalin.’
‘Oh.’
Ineens werd Tsjechov ernstig. Hij keek Everhard lang aan, legde een hand op zijn schouder en noemde hem voor het eerst ‘kameraad’. Er was hem iets opgevallen. De Veenkolonialen werkten hard, maar zodra dat gedaan was, leek het of ze zich ontheemd voelden. Alsof ze niet goed wisten wat te doen. Hadden ze een doel? ’t Was net of er iets ontbrak. Hij bespeurde een soort onrust. Onverbruikte energie. Dat baarde de Rus zorgen. Psychologie was nu eenmaal zijn ding en als je je verveelde nam je al gauw een glaasje spiritus te veel. Sprik begreep hem niet of deed alsof en haalde zijn schouders op. De Veenkolonialen waren geen denkers en stonden niet echt open voor zo’n lichaam-en-geest-in-balans-benadering. Anton zag dingen die er niet waren. Je moest gewoon hard werken en niet zeuren. Succes was een keuze. Everhard wilde zich er met een grap van af maken: ‘Je bedoelt zeker als we de zak vol hebben? Ja, dan worden we wat roppig, haha.’
Hij moest even stoppen, want hij stikte bijna van het hoesten. Na een minuut of tien vervolgde Sprik rochelend: ‘Maar dan zeg ik tegen Ada kijk de kamer nog maar even goed rond, want de komende twee uur zie je alleen nog het plafond en daarna voel ik me weer senang.’
Tsjechov schudde zijn hoofd. Ongelooflijk, wat een boer. Mannen waren echt overal hetzelfde: ‘Neeneenee. Er is iets anders. Jullie moeten een hobby.’
‘Een wat?’
‘Hobby. Als uitlaatklep. De frustraties op het werk afschudden. Het hoofd even he-le-maal leeg maken.’
‘Daar hebben we geen tijd voor. Er is hier altijd wat te doen. Wat voor hobby zou dat moeten zijn dan?’
‘Voetbal.’
‘Wat is dat nu weer?’
‘Een sport. Sport is vrijetijdsbesteding in de vorm van lichaamsbeweging. Net als golfen, curling en waterpolo en…’
‘Hoho, je gaat te snel. Voetbal, klinkt als…’ en hij maakte met beide wijsvingers een beweging die later bekend zou worden als het tussen haakjes-gebaar, ‘…met een voet en een bal.’
Prego. Een bal, een veld, twee helften, twee doelen. Aan elke kant elf man. Je moet zorgen dat de bal zoveel mogelijk in het doel van de ander komt. Alleen je voeten gebruiken. Elk team heeft een keeper. Die mag de bal met de handen stoppen.’
‘Is het moeilijk?’
‘Welnee. Kijk, als je niet schiet kun je niet scoren. Da’s logisch. Dus moet je pressie spelen. Als hunnie de bal hebben, ga je uit van je positie. Als Pietje op links druk zet, moet Klaasje op rechts aansluiten en kantelt het middenveld mee. Krijg je een crosspass, moet je weer over de hele terug. Waar ik het nu over heb is tactiek, totaalvoetbal. Je hebt verschillende vormen. Zoals catenaccio. Italianen doen dat. Daar kun je niet van winnen, maar je kunt wel van ze verliezen.’
Tsjechov vertelde dat hij tot zijn negentiende lid was van Dynamo Taganrog, in zijn geboorteplaats: ‘Daar hebben wij tot 1879 gewoond. Mijn vader was drie jaar eerder naar Moskou gegaan, op de vlu… eh, voor zaken, maar ik zat op het gymnasium en moest eerst mijn school afmaken. Ik was spits, een afmaker. Geen technicus, maar elk schot een eendvogel. Rusland kent veel clubs. Dynamo Moskou, Dynamo Tiblisi, Zenit Sint Petersburg en Dnjepr Dnjepropetrovsk zijn de bekendste. Onze competitie duurt erg lang, want uitwedstrijden doen we te voet. Vliegen zou een uitkomst zijn, maar ja, de wetenschapp…’
‘Breek me de bek niet open over wetenschappers’, brieste Everhard, ‘bij ons net zo. Ze vreten geen zak uit. Klotenklappers, dat zijn het.’
Naarmate Tsjechov meer vertelde, werd Sprik enthousiaster. Hij legde het idee voor aan zijn vrienden en die zagen er ook wel wat in. Als ze al iets deden wat op ontspanning leek, dan had dat altijd met werk te maken. Mandvlechten, strodokken binden of spijkerslaan. Ze waren into something new.
Er werd een veld gemaakt op de plek waar ze op dat moment stonden. Aan die weg in die lange lege vlakte. Tsjechov zag het helemaal voor zich. Hij kende La Divina Commedia van Dante goed en de gruwelijke prenten die Gustave Doré bij de beschrijvingen van de hel had gemaakt, maar hij vond de sfeer in deze contreien zo mogelijk nog beklemmender. Ze stonden hier in het totale niets. De uitgelezen omgeven om de ultieme angstgegner te huisvesten. Hier zou niemand voor zijn plezier heen willen en dan, zo wist hij van de uitwedstrijden naar Dnjepr, stond je als thuisclub al met 1-0 voor.
Al vrij vlot hadden ze twee teams geformeerd. De eerste wedstrijd vond plaats in het najaar van 1894. Het vervolg is bekend. Omdat de twee ploegen elkaar na verloop van tijd door en door kenden, kwamen er meer ploeg. De eerste clubjes in de Parkstad en omstreken heetten Vitesse, Quick, Vios, Colibri, Jupiter en Look Out. Die laatste zou later SC Veendam gaan heten. Na verloop van tijd ontdekten de Veenkolonialen dat er elders in Nederland ook al werd gevoetbald, sinds 1865 zelfs. Daar werd Everhard nog even boos om, omdat ze in het noorden altijd achter de feiten aanliepen, maar ze sloten zich toch aan bij de landelijke bond. Op de plek waar Everhard van Anton over het bestaan van voetbal hoorde verrees in 1954 stadion De Langeleegte en toen de profs zich in 1974 losweekten, kreeg de amateurtak 1894 aan de naam geplakt, ter herinnering aan die historische avond.
Tsjechov maakte dat niet meer mee. De schrijver was in oktober van dat jaar huiswaarts gegaan. Hij had Sprik nog wel geholpen met een naam bedenken voor de club van Zuidwending.
‘DWZ’, zei Anton.
‘Door Wilskracht Sterk?’
‘Nee, da’s met een S. De Wieke Zuidwending. Je moet het samendoen met jullie buurdorp, Ommelanderwijk, oftewel De Wieke.’
‘Ok. dank je wel. Goed punt. We spelen volgende week trouwens onze eerste wedstrijd. Uit tegen Kiel-Windeweer, altijd lastig. Kom je kijken?’
 ‘Nee,’ glimlachte de Russische gast, ‘Olga zal onderhand ongerust zijn. En anders Alexander III wel. Daarbij, ik wil nog langs Meeden. Mijn goede vriend Multatuli logeert regelmatig bij Derk Roelfs Mansholt. We corresponderen veel. Als ik in de buurt ben, zegt ie steeds, moet ik beslist langskomen aan de Hereweg voor een glaasje spiritus. Ik ben nú in de buurt. Voor Mansholt heb ik een gesigneerd exemplaar van Das Kapital mee. Moet je eens lezen. Zou ook wat voor jullie zijn.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen