donderdag 19 juli 2012

Dag 4

Het regende toen we om kwart over zeven door Moskou reden, op weg naar het vliegveld. Het toestel van Armevian Airways vertrok pas om tien voor elf, maar de chauffeur van het busje had twee banen en het kwam hem beter uit vroeg te vertrekken. Ergens langs de zestienbaans snelweg zag ik een auto op een rare manier in de berm staan. Ik dacht onmiddellijk aan een liquidatie. Dat verwachtte je immers in Moskou. Je ziet iemand struikelen over een losliggende tegel en je denkt: ‘wow, maffia’. Terwijl dat natuurlijk helemaal niet zo hoefde te zijn. Misschien lag die tegel écht los. Al had een van de duurste steden van de wereld natuurlijk wel een reputatie. Ik stelde me ook voor dat de Moskovieten er aan gewend zijn. Je ziet iemand op de stoep liggen met kogelgaten in de borst en je vrouw vraagt: ‘Wie is het?’
‘Eh, ken ik niet.’
‘Nee, oké, ik dacht even dat het Kees was.’
De vlucht van Moskou naar Yerevan, de hoofdstad van Armenië, waar ook werken voor de tentoonstelling vandaan komen, terwijl het land zelf natuurlijk een hoofdstuk was in de Oriëntaalse geschiedenis van ‘bevrijd’ worden door de Russen, bleek een van de spannendste onderdelen van deze persreis en wel omdat niet iedereen evenveel vertrouwen had in zowel de onbekende maatschappij, als de machine waar mee gevlogen werd. Die was van het bekende merk Toepolev. Er bleek evenwel niks aan ’t handje. Ontspannen vlucht zelfs.
Ik vroeg me af wáárom de Russen begin negentiende eeuw eigenlijk zo’n expansiedrift richting de Kaukasus en Centraal-Azië aan de dag legden. Ze hadden toentertijd in Europa wat deukjes in het imago opgelopen en aan het begin van de negentiende eeuw was het waarschijnlijk: als we een paar van die makkelijke landjes pakken (net Risk), dan kunnen we het geschonden blazoen weer wat oppoetsen.
Op het vliegveld bleek dat Inessa, onze gastconservator, haar stem kwijt was. Een beetje onhandig, aangezien ze ook fungeerde als tolk. Dus wij steeds vragen: ‘En Inessa, kun je iets vertellen over het ontstaan van Rusland?’ Of: ‘Ik ben nog even nieuwsgierig naar de kunsthistorische context waarin dit werk van Kotchar past.’ Maar dankzij haar kwamen we zonder slaag door de douane.
Het vliegveld van Armenië zag er modern uit, schoon, netjes en een batterij donkerharige schonen was bijzonder hulpvaardig bij het invullen van de visumaanvraag en de paspoortcontrole. Zo heel veel buitenlanders komen niet naar Yerevan en je zag mensen onderweg naar het hotel (Metropol) best vaak naar ons busje kijken. Ik durfde niet zo goed terugkijken. Voor je het wist lag je ergens met je ballen in je mond en doorgesneden keel in een greppel. Je las zulke gekke dingen.
Het was warm in Armenië, maar liefst dertig graden celsius. Helaas de korte broek vergeten. Wel een zware leren jas in de tas, maar daar hadden we natuurlijk niks aan. Misschien ’s avonds, want dan koelde het af tot zo’n veertien graden. De specialiteit van het land was cognac en whatdoyouknowwelke fabriek stond tegenover het hotel? Precies: de cognacfabriek.
Hoe lekker die was, proefden we drie kwartier later tijdens de ontvangst in de National Gallery of Armenia. Nederlandse bezoek hadden ze nog nooit gehad, dus we waren een wereldprimeur al zeiden we het zelf en we werden ontvangen met thee, fruit (vijgen, granaatappels, druiven, appels, perziken) en een glaasje cognac. De dames die ons ontvingen, Hasmik Harutyunyan, de scientific deputy director art historian en van die andere mevrouw ben ik het visitekaartje kwijt, toonden zich op hun allerhartelijkst. Ze nodigden ons uit om zondagavond bij de directeur te gaan eten, die is ook kunstenaar en dan zouden zij koken.
De National Gallery leverde zeven werken voor de expositie, die kregen we allemaal te zien, plus uiteraard een rondleiding met alles erop en eraan, zodat het weer acht uur was (echt keihard werken, zo’n persreis) voordat we een restaurantje opzochten. Het bleek een groot museum (negen verdiepingen), gelegen in het centrum van Yerevan, aan het plein waar de locals zich des ’s avonds verpozen en we zagen werken van leden van de School van Barbizon, Rodin, Rousseau, terwijl het aanbod in een andere zaal veel weg had van de opstelling van het Italiaanse elftal: Doel Guardi, achter: Cavedone, Canale en Batoni, midden: Ricci, Donatella, Chisolfi en voor Grencino en Tintoretto. Ook een Rubens, een Van Dyck, terwijl het aardig was om in het verre Armenië een naam als Hermanus Koekkoek tegen te komen.
Mijn bijzondere aandacht ging uit naar beelden uit het Armeense heldenepos David van Sassoen. Daar was ik een boek over aan het lezen. De Nederlandse vertaling kwam uit, net nadat we uitgenodigd waren voor de persreis. Er hing een mooi grafisch werkje uit 1922 van Hakob Kojoyan. Dat wilde Inessa graag in de expositie, dat wilde het National Gallery graag uitlenen, maar het Groninger Museum wilde het niet hebben. Foei.
De liften in het museum maakten een geluid alsof ze door een betonmolen werden aangedreven, maar het lukte ons weer veilig buiten te komen en toen gingen we wat drinken en onderging ik de compleet nieuwe ervaring dat zeven volwassen mensen een stief kwartier aan het soebatten waren over de rekening van omgerekend twaalf euro (de munt hier is dram, althans zo spreek je het uit en die doet ongeveer 500 tegen 1 euro) en toen gingen we eten in een restaurant met een openluchtzaal op de achtste verdieping. Armeense hapjes, erg lekker met soep na, al merkten we dat veertien graden best koud was, vooral als de wind (kracht 6) vrij spel heeft in de zaal en waren we verkleumd toen we weer in het hotel kwamen. Gelukkig was daar de cognacfabriek

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen