vrijdag 17 augustus 2012

Stilstaan bij een traag autootje

Nu er onder aanvoering van Neerlands beste fotograaf een moreel appel gedaan wordt maakt Bill in de taxi het volgende mee. Over stilstaan gesproken, dit land moet vooruit. Bemoei je met je eigen geaardheid. Ewin Olaf heeft gewoon gelijk.


Ter hoogte van de Oliemuldersweg kwam ik achter ze te rijden op het Damsterdiep. Een jong stelletje in een klein autootje. De zaterdagse boodschappen achterin. Misschien waren ze vooraf nog naar de wasstraat geweest, want het autootje fonkelde als nieuw.

Maar ze wilden niet opschieten. Sloom als een overleden schildpad. Ik ging er met mijn bus wat dichter op zitten. Beetje bumper kleven. Hielp niet. Flitsen met groot licht. Hielp ook al niet. Ze bleven maar doorsukkelen. En met al die tegenliggers naar de stad toe kon ik ze maar niet passeren.

     -     @%$#*#*@!!! schold ik achter het stuur.

Sommige mensen menen dat ze alleen op de wereld zijn! Sommige idioten denken dat het normaal is om op een doorgaande weg nog niet eens vijf kilometer per uur te rijden. Het baanvak voor het autootje was nota bene helemaal leeg. Er was geen enkele reden om zo langzaam te gaan!

     -     @%$#*#*@!!! schold ik nogmaals.

Intussen werden we op het aanpalende voetpad ingehaald door een bejaard mannetje achter een rollator. Dat mannetje was wellicht vijf maal zo oud als die twee gekken voor mij in dat kleine kut autootje. Stijf en stram van leden, maar die ging in elk geval door.
Net zo’n mannetje als meneer De F. die ik geacht werd binnen vijf minuten op te pikken in Engelbert. Totdat ik achter deze twee klootviolen terecht kwam had ik het idee dat ik die nog op tijd zou halen. Maar nu werden kostbare minuten ineens weg gesnoept, niet door de brug over het Eemskanaal die openstond om boten te laten passeren (zou ik ook op hebben gescholden), maar door een autootje voor me in een eufemistisch slakkengangetje.

     -     @%$#*#*@!!! schold ik.

Ondertussen nam ik wat meer afstand van mijn voorganger, eigenlijk door zelf bijna stil te gaan staan. Het getoeter van de auto’s achter me nam ik daarbij op de koop toe. Sowieso voelde ik me net zo radeloos als mijn volgers. Maar wat kan je doen in zo’n situatie? Wat kan je doen?

     -     @%$#*#*@!!!

Terwijl ik de twee inzittenden in het mobiele standbeeld voor me vervloekte tot in de diepste krochten van de hel, zag ik dat de jonge vrouw in de bijrijderstoel zich naar haar vriend toe boog. Misschien om hem in te fluisteren nu eindelijk eens wat vaart te maken? Om het aan te sporen het gaspedaal in te drukken?
Maar nee, hoor.
Niets van dat al!
In plaats daarvan begon ze haar vriendje af te likken. Tergend langzaam likte ze zijn nek vanaf de schouder tot aan zijn oor. Ik kon het verdorie hartstikke duidelijk zien.

     -     @%$#*#*@!!!

Die lange tong van de jonge vrouw, die zo traag een baan trok over de zijkant van de nek van haar vriend... Oei, dat zag er best wel opwindend uit. Wat deed ze dat geil.
Maar wat schoot ik er nou mee op? We stonden nog steeds stil. Bijna dan.
Een andere bejaarde achter een rollator haalde ons inmiddels in.
Nu zag ik ook tegenliggers met grote ogen staren naar de twee tortelduifjes in de kleine auto voor me, dat steeds meer in beton leek te zijn gegoten.

     -     @%$#*#*@!!!

Grote ogen? Ik kon het me voorstellen. Die meid deed het ontzettend sexy, zeg. Daar ging ze weer, zo zag ik vanuit mijn bus. Opnieuw met haar tong likkend aan de nek van haar vriendje. Eerst diep in de schouderkom en dan geleidelijk omhoog.

-       Wow, zuchtte ik.

Haar vriendje draaide zich nu naar haar toe.

-       WOW!

Het was helemaal geen vriendje achter het stuur maar een vriendinnetje! En deze bleek net zo’n opgestoken knotje te hebben haar als het likkende meisje. Die nog steeds niet uitgelikt was. Die likte maar door. En nou begon het meisje achter het stuur ook terug te likken.
Ondertussen reed hun autootje nog steeds door. Traag als gesmolten kaas. Als stollend kaarsvet. Als een plak chocolade in de zon. Als tranende boter. Als een openstaand bakje jam na drie dagen. Als melk dat begint te schiften. Als het vet dat soms eerst rolt bij het smeren van pindakaas. Als mayonaise dat op een zompige dag van het bord afglijdt. Als een blubberpudding.

Ik zou moeten vloeken maar zwijgend keek ik toe hoe de voor mij rijdende dames nu helemaal in hun minnespel opgingen en de net nog zo likkende tongen inmiddels bij elkaar in de mond duwden.
De tegenliggers die het tafereel ook zagen passeerden het autootje behoedzaam, ook al konden ze hun ogen niet van de twee vrijende meiden afhouden. Ik snapte dat goed, want zelf reed ik net zo. Al het geclaxonneer achter me van andere automobilisten hield me met de aandacht bij de weg, maar tegelijkertijd wilde ik niets missen van wat er in het kleine autootje voor me gebeurde.
Pas bij de afslag Ruischerbrug realiseerde ik me net nog op tijd dat ik nu diende af te slaan. Terwijl het autootje met de vrijende meiden richting Delfzijl reed, met in hun kielzog een enorme file van woedende automobilisten, boog ik af richting Engelbert om daar de heer De F. op te pikken.

     -     @%$#*#*@!!! schold ik.

Want als er eentje was die ik nu naar de diepste krochten van de hel verwenste, dan was het wel die koekenbakker van een meneer De F.

© Bill Mensema

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen