zaterdag 7 april 2012

Toen ik aan de Olympische Spelen meedeed

Zwarte man Bill was gisteravond de revelatie in de Langeleegte. Het was voor de zwarte mannen een avond vol emotie die door het collectief nog geduid moet worden. Grote woorden bleven niet achterwege. Terwijl de gasten in de businesslounge bezig waren sperziebonen met elastiek te verorberen trok Bill een parallel tussen de Veenkolonies en Australië. Zijn teksten tijdens de wedstrijd laten wij omwille van stille zaterdag achterwege. Prachtig allemaal, die lovende woorden richting Bill. Zwarte mannen houden niet van snakken en zelfbevlekking, daar zijn we te Gronings en te nuchter voor. Lees onder Bill's portret het verhaal dat hij gisteravond hield. Oordeel zelf!


Wellicht zal men het niet gauw verwachten van een forse kerel zoals ik, maar ooit kwam ik in actie tijdens de Olympische Spelen. Het was in het millennium jaar 2000 tijdens de Olympische Spelen in Australië, waar ik op dat moment woonde. Werkelijk overal ter wereld konden tv kijkers mij zien tijdens de voetbalwedstrijd tussen Nigeria en Honduras, die in het Hindmarsch Stadion in Adelaide werd gehouden.
Als u nu denkt: die man komt mij inderdaad bekend voor, dan zeg ik maar één ding: Olympische Spelen 2000.

De aanvankelijk matige wedstrijd tussen Nigeria en Honduras werd uiteindelijk nog een thriller van jewelste. Dat zou men niet gauw verwachten op basis van de eerste helft, waarin de Nigerianen hopeloos achter de feiten aanliepen. De Hondurese voetballers gingen dan ook de pauze in met de geruststellende zekerheid dat hun 3-1 voorsprong op de Nigerianen alleen nog middels een wonder zou kunnen worden ingelopen.
Ook het grootste deel van de tweede helft leken de Nigerianen te berusten in hun lot.
Ware het niet dat er twee Australiërs als een stelletje maniakale gekken begonnen te juichen voor de zo op achterstand staande Afrikanen. Eén van die Australiërs was mijn oom. De andere was eigenlijk een Nederlander. Dat was ik.

Nou is Australië – net als de Veenkoloniën in Nederland – een van de leukste plekken ter wereld. Alleen de inwoners zelf zien dat niet altijd zo. Zo hebben ze in Australië het gevoel dat ze in de kont van de wereld vertoeven. Overal gebeurt het, behalve in Australië. Dat gevoel hebben ze.
Dergelijke frustratie leidt meestal tot het overcompenseren van andere zaken. Dat geldt ook voor de Australiërs. Ze zijn bijvoorbeeld ontzettend grappig. Dat wij hier in Europa dat helemaal niet weten is logisch. Dat gebeurt immers allemaal in de kont van de wereld. Ook zijn Australiërs voor de duvel niet bang. En er heerst een enorme gemeenschapszin. En niemand voelt zich daar ook maar een beetje meer dan de andere. Iedereen is daar gelijk. Met een mooi woord noemen we dat egalitarisme.
En als een speler onderuit geschoffeld wordt op het voetbalveld, wordt er in Australië geen gele kaart getrokken. Het spel gaat gewoon verder. Alleen als de op de grond liggende speler zijn nek gebroken heeft, dan willen ze hem misschien nog wel met een brancard van het veld halen. Maar over het algemeen luidt de regel: die jongen is zelf gevallen, hij kan dus ook zelf wel weer opstaan.

Nee, Australië is geen land voor mietjes. Maar het is wel het land van de kangaroe, van het vogelbekdier, van de emoe, van de dingo en – vooral – van de underdog.

Vanwege de ingebakken voorkeur van Australiërs voor de underdog joelden mijn oom en ik tijdens de Olympische Spelen 2000 in het Hindmarsch Stadion in Adelaide dan ook voor het op fors verlies staande Nigeria.
Naarmate het einde naderde joelden wij des te luider.

- Give him de rambam!!!
- Give him from Jetje!!!

Het was net alsof wij tweeën de Nigeriaanse voetballers ineens de schop onder de kont gaven die de trainer ze vanaf de zijlijn niet meer wist te geven. In de 80e minuut schoot Nkomo de bal langs de Hondurese keeper.

Drie – Twee!

Mijn oom en ik feestten er op los op de verder amper bezette tribune. Het handjevol internationale bezoekers dat er wel was keek ons onthutst aan en de zes speciaal voor deze wedstrijd uit Nigeria overgevlogen supporters waren zo overdonderd dat zij zelf geen woord meer durfden uit te brengen.
Intussen waren wij ons van geen kwaad bewust en jubelden nog luider dan voorheen. Het door ons geproduceerde kabaal deed de Nigeriaanse voetballers duidelijk goed, terwijl het gelijktijdig de Hondurezen een welhaast verlammende angst inboezemde.
Ons enthousiasme was zelfs zo aanstekelijk dat het de Nigerianen eindelijk de vleugels gaf die ze nodig hadden. In een verpletterend slotoffensief wist Bwanko Kanu de gelijkmaker te scoren.

Drie – Drie!

Waar iedereen hen een half uur geleden nog afgeschreven zou hebben, hadden de Nigerianen er alsnog een gelijkspel uitgehaald. Speciaal voor de tribune waar hun grootste supporters zaten – mijn oom en ik – maakten de voetballers een uitzinnige, typisch Afrikaanse vreugdedans, trappelend met hun voeten en met de kont ver naar achteren.

- Ngele! Ngele! riepen ze naar ons.
- Ozzy! Ozzy! riepen wij terug.

Ook staken ze allemaal duimen op in onze richting. Facebook was er destijds nog niet, maar het was wel duidelijk dat de Nigerianen mijn oom en mij lijkten. Het raakte ons zo diep dat we prompt vergaten verder te juichen.

Godzijdank floot de scheidsrechter op dat moment het eindsignaal. Dat was eerlijk gezegd maar goed ook. We moesten er niet aan denken dat de Nigerianen de arme Hondurezen met een vierde doelpunt de nekslag zouden toedienen. Dan zouden de Hondurezen immers ineens de underdog zijn en dat zou mijn oom en mij voor een duivels dilemma plaatsen.

Het moge duidelijk zijn dat het juist aan onze blijmoedige bijval te danken is dat de Nigerianen uiteindelijk gelijk wisten te spelen tegen de voetballers van Honduras.
Maar dat mijn oom en ik daarvoor zelfs geen Olympisch brons gekregen hebben is evenwel een schandaal van jewelste waarover men in Adelaide tot op de dag van vandaag nog niet uitgesproken is.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen