Posts tonen met het label Oosterpoort. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Oosterpoort. Alle posts tonen

zondag 10 november 2013

Ian Anderson


Zwarte man Mensema geeft de rattenvanger van Hamelen een plek. 'Locomotive Breath' door de Claw Boys Claw zette ons al aan het denken. Vanavond in de Oosterpoort. Er zijn nog kaarten.


Bij onze oosterburen zie ik door de jaren heen altijd wel weer posters waarop concerten van Jethro Tull worden aangekondigd. Helaas vinden die meestal plaats op voor mij ongunstige datums of worden ze gehouden in steden die vanuit Groningen gerekend te ver weg zijn, zodat ik ze niet kan bezoeken.

Maar die posters doen me wel deugd.

Het is goed te weten dat Ian Anderson zijn dwarsfluit nog steeds niet aan de wilgen heeft gehangen. Onverdroten gaat de voorman van Jethro Tull voort, die met zijn wonderlijke mix van folk, klassiek en rock een aanzienlijk deel van de populaire muziekgeschiedenis smaak gegeven heeft.
Zijn lange haren heeft hij allang verloren maar zijn streken gelukkig niet.

Met ‘Locomotive breath’ scoorde Jethro Tull in het begin van de jaren zeventig ook in Nederland een kleine hit. Onder ons scholieren bleef het nummer nadien onverminderd populair, net als ‘Radar love’ van de Golden Earring en ‘Child in time’ van Deep Purple.
Later zou ik ook de andere, minder toegankelijke nummers van Jethro Tull horen. Dat was eerder iets voor de fijnproevers, wat ik begin jaren zeventig zeker nog niet was.
Het album ‘Aqualung’ zou een favoriet worden, net als ‘War child’ en ‘Storm watch’.

Vooral bij de twee laatstgenoemde albums is het voor mij erg belangrijk dat zanger Ian Anderson er op afgebeeld staat zoals hij eruit zag in het begin van de jaren zeventig. Dus met zijn lange, rode, wapperende krullen, met dat ene oog dat deels aangeeft dat hij alles en iedereen scherp in de gaten houdt, maar dat net zo goed een knipoog is.
Een schalkse.

Het is een iconisch beeld dat altijd aan hem zal blijven kleven.
Het is een beeld dat ik nooit vergeten kan.
Of wil.

Want ooit heb ik Ian Anderson exact zo leren kennen, die eerste keer dat ik van hem een foto tegenkwam in de Muziek Expres. Het was op de één-na-laatste bladzijde van dat specifieke nummer. Ik sloeg het voorgaande blad om en daar stond hij dan in zijn karakteristieke pose: vanuit zijn tenen gestrekt op zijn ene been, met de andere er in een overdwarse V tegenaan gebogen, met zijn Schots geruite pandjesjas aan, met zijn dwarsfluit aan de lippen, met de rode krullen die dansen om zijn hoofd. Op dat moment kende ik zijn muziek amper – zonder de bandnaam Jethro Tull kon ik niet eens de link leggen tussen hem en ‘Locomotive breath’ – maar ik wist in één blik dat het bij hem in goede handen was.
Het is een beeld dat mij nooit verlaten heeft want Ian Anderson is de rattenvanger over wie ik vaak geschreven heb. Zo zie ik hem ook. Hij is de mythische rattenvanger, degene die zowel in goede als slechte tijden anderen weet te verleiden met zijn melodieën.
Ik heb er geen enkele moeite mee een rat te zijn als Ian Anderson de rattenvanger is. Hij is immers een van de meest markante aardvaders van de Rock en mij heeft hij alleen al met die foto definitief tot een volgeling van de Rock gemaakt.

Want dit is wat hij op die foto uitstraalt:
Het gaat om Rock.
Met ernst maar zeker ook met een knipoog.
Met het hart pulserend op het ritme.
Met zelfs het besef dat we onze problemen nooit alleen met Rock zullen kunnen oplossen.
Maar tegelijkertijd ook de zekerheid dat het leven met Rock er stukken leuker uitziet.
En in elk geval stukken beter klinkt.

We horen dat ook terug in zijn hernieuwde versie van ‘Thick as a brick’, waarmee Anderson tegenwoordig de wereld rondtoert, ruim 40 jaar nadat het album het levenslicht zag.

Het mede door hemzelf geproduceerde ‘Thick as a brick’ (een Engelse uitdrukking om verregaande stupiditeit mee aan te duiden) behaalde in 1972 in de Verenigde Staten de eerste plaats op de Billboard-albumlijst en wordt nog steeds tot de belangrijkste mijlpalen van de progrock gerekend.
Eigenlijk is het één enorm lang nummer van 45 minuten, waarin Anderson – werkend vanuit een gedicht van zijn geesteskind, het jongetje Gerald Bostock – op ironische wijze afrekent met hippies, zakenlieden, pubers en burgermannen. ‘Thick as a brick’ nam overigens ook het in het begin van de jaren zeventig zeer in zwang zijnde concept van het conceptalbum op de hak.
Zoals bekend mag worden verondersteld, ziet de hoes van dit klassieke album eruit als een tabloid. Het schreeuwerige hoofdartikel van deze krant meldt dat het een dag eerder op de BBC voorgedragen gedicht ‘Thick as a brick’ van de kleine Gerald is gediskwalificeerd, aangezien jeugdpsychiaters hebben vastgesteld dat zijn brein totaal niet gebalanceerd is.
Alleen bij de eerste persing kon men de tabloid ook werkelijk uitvouwen tot een maar liefst 12 bladzijden tellende krant.

Inmiddels is het vertrouwde beeld van Ian Anderson deels achterhaald, want hij is nu net zo kaal als ik. Live draagt hij tegenwoordig vaak een bandana.
Maar als men hem dan op You Tube bekijkt tijdens live opnames van de huidige tour – of het nou in Brazilië, Amerika of bij onze oosterburen is – live is hij nog steeds de pias van weleer, de katachtig bewegende performer, de man die alleen gewapend met een dwarsfluit bomvolle zalen en stadions muisstil weet te krijgen, de danser die zo nu en dan ook nog flink wil rocken.

De rattenvanger blaast nog steeds zijn verleidelijke melodie.



© Bill Mensema

dinsdag 9 april 2013

Bombino

Communicatie is van belang. Je kunt nog zo'n goed product in de aanbieding hebben. Als er niemand weet van heeft gaat het met de verkoop echt niet opschieten. Wat zou het Christendom zijn zonder Paulus. Ondanks de reacties van sommigen dat wij na vorige week van zins zijn te stoppen gaan de zwarte mannen gewoon door. Wij hebben dit ook nooit gecommuniceerd. Wij hoeven onze ambities helemaal niet aan te passen. Jupiler Leage of niet, The Black Keys op de Langeleegte kan nog steeds. Vanavond in de Oosterpoort komen we in de buurt. Bombino, Touareq gitarist treedt op. Zijn laatste plaat werd geproduceerd door Dan Auerbach van The Black Keys. Over mannen en locatie gesproken. Kijk naar het prachtige filmpje hieronder. Als het in de woestijn kan, dan kan het zeker aan de Langeleegte. Een prachtig stadion, dit blijven we communiceren.

Vanavond om 20.30 in de kleine zaal Oosterpoort Groningen. De zwarte mannen zijn van de partij. Even de kop leeg na al dat gedoe met voetbal. 

Bombino toon ons u kunsten en verhef ons. Tot vanavond.


donderdag 9 augustus 2012

Beeld

Sigarenbandjes. Als je van voor 1965 bent roept dit woord de nodige associaties op. Zo ook bij zwarte man Bill. Alleen de beelden die hij krijgt zijn wel duidelijk van na 1965. Of was Elvis misschien metroseksueel. Misschien kun je in retrospectief de grote pakken zo duiden. Neemt niet weg dat enkel de naam van het merk van de foto hieronder de zwarte mannen doet smullen. De geur van sigaar en borrel na de kerkgang op zondagochtend komt weer boven. Desalniettemin neem kennis van zwarte man Bills schrijven over de bolknaksigaar en laat u niet misleiden door dit inleidende verhaal.


Halverwege de jaren zestig nam mijn oom mij als kind weleens mee naar de veemarkt in stad. Waar nou cultuurcentrum De Oosterpoort staat. Je had er al dat vee, al die koeien die in- en uitgeladen werden. Varkens en schapen. Paarden ook. En altijd die veeboeren in lange, donkerblauwe jassen die handjeklap deden om gezamenlijk tot een goede prijs te komen. Heel vaak hadden ze een wandelstok bij zich, maar tijdens de handjeklap werd die dan achter in de kraag opgehangen. Soms was het niet een wandelstok maar een lange menstok om de beesten mee uit de vrachtwagen te jagen. Zo’n menstok had een boog aan het einde.
Sommige boeren en veehandelaren hadden platte petten op. Niet iedereen. Maar allemaal hadden ze wel een dikke bolknaksigaar tussen de lippen.
Ik was vijf jaar oud en keek er verwonderd naar. Wat een vreemde, oude kerels.

15 jaar later was ik student in stad. De veemarkt was ondertussen verplaatst naar de meer praktische Veemarkthallen aan het einde van de Sontweg. Het was er overdekt en de veetransportwagens konden er makkelijker in- en uitrijden. Het was ook jammer, want de veemarkt was ineens niet meer deel van het stadse leven. Het vond nog steeds plaats, maar je zag het niet meer. Als student moest ik nog weleens tentamens doen in de Veemarkthallen, maar ook dan waren er geen stille getuigen te vinden van de wekelijkse markt die in dat grote gebouw gehouden werd.
Je zag de boeren en de veehandelaren nog wel in de stad. Als de veemarkt afgelopen was, kropen ze geregeld met z’n allen bijeen in café De Beurs. Allemaal met hun lange jassen aan, met de platte petten op, met hun stokken en vanzelfsprekend met dikke bolknaksigaren tussen de lippen. Aan de jenever, droge worst erbij, nog meer jenever, een biertje, allemaal het hoogste woord, tevreden met de gedane zaken deze ochtend in de Veemarkthallen, onder die enorme donkerblauwe walm van sigarenrook.
Han en ik zagen ze daar weleens, daar in café De Beurs. Ik vond ze nog steeds oud, maar zo vreemd… Nee, vreemd vond ik ze niet meer. Het waren gewoon kerels. Oude kerels.

Ooit gaan wij ook zo oud worden, zei Han.
Als we mazzel hebben, zei ik.
Ook al zullen we geen boeren of veehandelaren zijn.
Nee.
We zullen dan jenever drinken, met droge worst erbij en een dikke bolknak.
Ja.
Heb jij daar problemen mee, Bill?
Ik lust geen jenever en ik hou niet van sigaren, maar rond die tijd zal ik er klaar voor zijn.
Ik ook.

Dat was in 1980. We wisten heus wel dat de wereld aan veranderingen onderhevig is, maar we hadden geen idee dat het zo verrekte hard zou gaan.
Zo bestaat de Groninger veemarkt al ruim 11 jaar niet meer, ten gevolge van marktfusies, hoge milieueisen en ter voorkoming van verdere besmetting van ziektes als mond- en klauwzeer. Wellicht gaat een deel van de handel nu ook via internet en Skype.
Past meer bij deze tijd.

Net zoals we nu ook niet meer over jongemannen kunnen spreken als Jongens van Jan de Wit. We hebben het nu eerder over Jongens van Janneke de Wit. Ze zijn nog niet zo erg als hun vrouwelijke soortgenoten die de iPhone of Samsung Galaxy niet eens meer tien minuten lang kunnen loslaten, maar ook zij gaan geregeld naar de Beauty Sauna, shoppen wekelijks als dragonders en staan uren voor de spiegel alvorens ze uit gaan. Je kunt ze niet eens uitschelden voor metroseksueel want dat willen ze juist graag zijn.

Maar het komt goed.

De eerste tekenen zijn er al.

Op zaterdag kun je in stad drie metroseksuele jongemannen zien lopen. Of lopen… Ze flaneren. Op hoge hakken – godbetert! – bewegen ze zich door de zaterdagse drukte. Hartstikke metroseksueel. Met dit mooie weer dragen ze open shirts waardoor je heel goed hun gebronsde, geharste borstkas kunt zien. Homo’s kijken likkebaardend om, maar die maken geen enkele kans. Het is de drie metroseksuele jongens uitsluitend om de aandacht van de dames te doen.
Zo gaat dat tegenwoordig.
Wil je als jongen ook maar een beetje kans maken, dan moet je een halve vrouw zijn.

Zo is dat nu eenmaal.

Je kan je er tegen verzetten, maar waarom zou je?

En toch…

De drie bovengenoemde metroseksuele jongemannen lopen… pardon, flaneren… door de stad met elk een bolknaksigaar tussen de lippen. Natuurlijk is het nog steeds een veekeuring tussen jongens en meisjes op die leeftijd. Natuurlijk doen ze hun uiterste best zo voordelig mogelijk voor de dag te komen, nu dan als halve vrouw.
Maar juist die bolknak geeft aan dat er ook iets anders aan het ontstaan is. Iets anders dat uiteindelijk eeuwenoud is. Iets met kerels die ooit gewoon weer Jongens van Jan de Wit zullen zijn.

Rond die tijd zullen wij ruim bejaard zijn, zucht Han.
Als we mazzel hebben, zeg ik, want we hebben nu al last van het hart, we zijn te zwaar, we slibben dicht en we vervetten.
We zouden moeten ophouden met die duivels lekkere droge worst.
We moeten geen jenever meer drinken.
Tja.
Ja.

We sjokken verder – nu gelukkig nog zonder wandelstok – maar houden stil bij sigarenzaak Homan aan de Herestraat. Zonder het zo te hebben afgesproken lopen we de winkel in en bestellen twee bolknaksigaren.

Van Elisabeth Bas? vraagt de winkelier.
Van wie anders?

© Bill Mensema