dinsdag 26 maart 2013

De dag dat ik supporter van Veendam werd



Op de nationale radio werd de luisteraar vanochtend gewekt door de stem van Henk de Haan en zwarte man Sandman. De quotes van Sandman waren wel heel erg kort. Logisch want welke door de wol geverfde mediaman is in staat Henks woordenbrij te stoppen. Ischa Meijer uit Sodom leeft niet meer. Bij Henk is wat je ziet is wat je krijgt. Henk heeft geen kwaad in het zin, geen verborgen agenda, hij wil vooruit en dat siert hem. Gronings milieuvriendelijk zeg maar. Sandman heeft meer tijd nodig voor reflectie en contemplatie en gelukkig is deze blog daar om voor eens en voor altijd belijdenis te doen. Wij geven toe het stuk heeft vorig jaar al in delen op de blog gestaan. Zowel voor Henk als zwarte Sandman geldt: In deze fase van de strijd heiligt het doel de middelen.


De uitstraling van Veendam is zelfs in de Veenkoloniën niet al te best. De air waarmee de parkstadbewoners over zichzelf lopen te blaten wordt aangeduid als Veendammer wind, het Oost-Groningse equivalent van gebakken lucht en heel de provincie weet dat een bezoek aan stadion De Langeleegte geen gezellig middagje uit is. Alleen als het moet ga je die kant op. Een jongen uit Veendam die verkering heeft met een meisje uit Muntendam wordt in 2011 nog steeds op de Middenweg opgewacht en de bevolking van Kiel-Windeweer, Bareveld en Wildervank winkelt liever in Hoogezand. Ook in Stadskanaal, waar ik vandaan kom, heeft niemand wat met Veendam.
Dat ik toch supporter van die club ben geworden heeft dan ook meer te maken met het besef dat je nooit en te nimmer je afkomst kunt verloochenen, dan een blinde liefde voor het geel en zwart. Het inzicht dat mijn wezen, dat wat ik ben, onlosmakelijk is verbonden met de streek waar ik opgroeide en dat ik daar best voor kon uitkomen, dat zoiets zelfs salonfähig was, kwam bij het lezen van Jan Mulder, de biografie van Jan Mulder. Daarin werd geciteerd uit een ander boek over Jan Mulder, Buitenspel bestaat niet. Herman Brusselmans vertelde over de eerste keer dat hij Jan Mulder zag voetballen. In een uitwedstrijd van Anderlecht tegen zijn favoriete club: Berchem Sport. Brusselmans’ oom was terreinknecht bij Berchem.
In Brusselmans’ verhaal las ik, naast een beschrijving van een weergaloze Mulder die drie keer scoorde, een verlangen naar een voorbije leven in een voorbije tijd, al was er van alles op dat leven en die tijd aan te merken: ‘Het veld lag er, als naar gewoonte, heel onverzorgd bij. Oom Jef kon niet eens de middenstreep in zijn kont houden, laat staan de kalklijnen op een voetbalveld. Het gras was geknipt met de Franse slag (oom Jef had in de oorlog drie jaar in de Vogezen ondergedoken gezeten en dat laat zijn sporen na), de cornervlaggen stonden scheef en de netten waren te hard aangespannen. (…) Niets was perfect, en daar voelde iedereen zich goed bij.’
Het ontroerde mij. Zo’n grote schrijver die supporter was van zo’n nietszeggende club. Al kwamen ze nooit verder dan de laagste divisie, al was het elke week huilen met de pet op en stond de hele familie bij thuiswedstrijden in de stromende regen te kleumen, ze bleven voor Berchem. Terwijl het veel gemakkelijker was om voor Anderlecht of Club Brugge te zijn. Die wonnen wel eens een wedstrijd.
Brusselmans bleek niet de enige.
Tom Egberts stond een groot deel van zijn leven op de staantribune bij Heracles, Hugo Borst is Sparta-fan in hart en nieren, Marcel van Roosmalen loopt vanaf zijn kinderjaren bij Vitesse en Dimitri Verhulst is tegen wil en dank supporter van Standard Luik. In de prijzenkast op Stade Sclessin staan wel wat bekers, maar het stadion ligt bepaald niet aan Venice Beach. Standard is het kloppende hart van de Waalse mijn- en staalindustrie. Hoe het er nu is weet ik niet, maar in de jaren tachtig reikten de bergen kolen tot aan de hemel. Als het hard waaide werden huizen, auto’s, mensen en het veld bedekt met een fijn laagje zwart stof.
Brrr.
Een van de trouwste fans van Port Vale is Robbie Williams en Elton John was als klein jongetje, toen hij Reginald Kenneth Dwight heette, kind aan huis op Vicarage Road. Als voorzitter bracht hij de club naar de Premier League, maar Watford was lange tijd ook gekloot in de marge. Een zin als ‘Sorry seems to be the hardest word’ komt ergens vandaan.
Als de groten der aarde in voor- en tegenspoed met opgeheven hoofd achter hun club bleven staan, werd het tijd dat ik kleur bekende.
De grootste liefde van die mannen was niet hun moeder. Hoe warm ook de plaatjes van een zorgeloze jeugd. De grootste liefde van die mannen was niet het vroegere buurmeisje. Hoe weemoedig ook het verlangen naar de jaren van onschuld in de zandbak. In de gedachten van deze mannen kwamen de vrouwen die hen gevoed en gevormd hadden op de tweede en derde plek. Als ze op reis waren en ontwaakten in een vreemde stad in een ver land, werden hun hoofden op maandagochtend niet langzaam gevuld met zoete herinneringen aan het urenlange kleuren op regenachtige middagen, met een kopje thee en een bastognekoek, nee, dan gingen deze mannen, nog voor hun ontbijt, koortsachtig op internet op zoek naar hoe hun club had gedaan.
Je kunt de zeven zeeën bevaren, bejubeld worden in the Opera House in Sydney en emigreren naar Toscane; tot aan je dood is het eerste wat je doet op de eerste dag van de nieuwe werkweek de uitslagen van het voorbije sportweekend doornemen, te beginnen met de zesde klasse K, District Noord, daarna naar de Jupiler League, Eredivisie, Bundesliga, Primera Division, Serie A en Premier League. Daarna komt pas het wereldnieuws, de toast met jam, de koffie, het douchen, het aankleden, de taxi en stap je geknipt en geschoren om negen uur scherp de New York Stock Exchange binnen.
Ik kwam bij Veendam uit.
Een grote Nederlandse club bleek geen optie. Voor Ajax, PSV of Feyenoord was iedereen al. In mijn beleving kon je als echte voetballiefhebber slechts voor een club zijn: CF Barcelona. Die speelden voetbal zoals voetbal gespeeld moest worden. Op schoonheid. Maar ik kon op geen enkele manier de sociaalgeografische link tussen Catalonië en Veenkoloniën leggen. De afstand was te groot. Als trouwe supporter zou ik regelmatig op de tribune moeten zitten en het was ondoenlijk iedere veertien dagen Camp Nou te bezoeken. Een socio uit de Veenkoloniën sloeg gewoon als kut op Dirk.
FC Groningen had gekund.
Daar wreekte zich mijn afkomst. Ik was geen stadjer. Mijn ouderlijk huis stond niet in een Groningse volkswijk, waar je vanuit je jongenskamer wegdroomde als op Europa Cup-avonden de lichtmasten van het Oosterpark-stadion de buurt in vuur en vlam zetten, terwijl op zondag de opwinding in de straten voelbaar was als rijen mannen van overal vandaan de Zaagmuldersweg in liepen. Waar ik woonde speelde je op zondagmiddag in je eentje in de zandbak.
Daarbij: met de club uit de Martinistad ging het al jaren goed. Een mooi nieuw stadion, verstandig management, een elftal dat redelijk in balans was, met Pieter Huistra hadden de groen/witten hun eigen Pep Guardiola en de Euroborg werd elke veertien dagen gevuld met stadse celebrities. Van MC Sherlock tot Tweede Kamer-lid Tjeerd van Dekken. In de goede tijden zat de sportredactie van het Nieuwsblad van het Noorden met zeven man sterk op de perstribune. Het in stad en ommelanden wereldberoemde muziekduo Pé Daalemmer en Rooie Rinus had een lied over hun FC (Z-side) geschreven, burgemeester Peter Rehwinkel twitterde zich een tennisarm tijdens Groningen - Heerenveen en als de nog veel bekendere RTV Noord-verslaggever Piet van Dijken voor Sinterklaas speelde was de eerste vraag aan alle jongetjes: ‘Kom je wel eens bij FC Groningen?’
Een ploeg die won, daar was niks aan. Wat moest je er ’s maandags nog over zeggen?
De allesoverheersende liefde voor een club kwam pas tot zijn recht als het niet goed ging. Een supporter moest lijden, negentig minuten lang foeteren op alles wat bewoog. Nederlaag op nederlaag, dan ging het ergens over.
Veendam had geen geld, geen beleid en er zat nooit een mens op de tribune. Stadion De Langeleegte was het schrikbeeld van elke Nederlandse profvoetballer. De Veenkoloniën gold als het einde van de wereld. Dat paste beter bij mij, opgegroeid als ik was in Stadskanaal, een kleurloze plaats langs een van de ellenlange kanalen waarover in vroegere tijden het turf naar de stad werd vervoerd. Ik woonde aan het einde van de wereld. Veendam was de club van Henk Nienhus, Jan Blijham en Harris Huizingh. Dat waren geen mensen die veel lachten. Getekende gezichten en hoekige karakters, hard geworden door slagregens en striemende Noord-Oosters. Een krampachtige grijns alsof ze moesten poepen bleek het hoogst haalbare.
Veendam is wat de tiener Lilya in de film Lilya 4-ever voelt als haar moeder met haar nieuwe vriend naar Amerika vertrekt en het jonge meisje eenvoudigweg achterlaat. Terwijl de enige mens die je nog hebt voorgoed wegrijdt sta je daar in je pyama in een grauwe buitenwijk en val je huilend op je knieën in de modder. Beter wordt het niet.
Supporter van Veendam zijn was wat ik als mens nodig had. Dat betekende dat ik, buiten mijn gezin, weer ergens voor zou moeten staan. Het werd zelfs hoog tijd dat ik dat weer eens deed. Emotie, blinde hartstocht, daar ging een mens van leven en dat ervoer je pas als aanhanger van een matige club.
Dat gevoel kende ik overigens wel. Als jongeman was ik voetbalgek. In elke wedstrijd die ik op tv zag, of live op de amateurvoetbalvelden koos ik partij en leed mee bij een nederlaag, of stortte me in de euforie na een zege. Maar daar was ik lang geleden mee gestopt.
Aanleiding was de halve finale tussen Frankrijk en Portugal op het EK van 1984. Een prachtige wedstrijd waarin ik mij achter Portugal schaarde. Frankrijk won met 3-2, na een bloedstollende slotfase. Daarover was ik zó kwaad dat ik besloot nooit meer ergens voor te zijn. Dan kon ik ook niet teleurgesteld worden. Ik ging zelfs minder voetbal op televisie kijken. Geholpen door een vriendin die op zijn zachtst gezegd geen voetbalfan was. Dat werd me in de eerste maanden van onze verkering snel duidelijk. Ze keek erg verbaasd als ik op zondagavond om zeven uur de afstandsbediening uit haar handen griste.
‘Wat doe je?’
Ze benaderde voetbal zoals je een kikker bekijkt die door een grasmaaier is vermorzeld.
Kokhalzend.
Als ik een keer per jaar de tv aanzette voor de Champions League-finale klonk het protesterend: ‘Ah nee, niet weer voetbal.’
Om niet elke keer de discussie aan te hoeven gaan liet ik het maar zo en kwamen er andere hobby’s. We kregen kinderen, kochten een huis en ik werd iemand die zonder voetbal kon leven. Een enkele keer, als zij met vriendinnen uit eten was, keek ik wel eens een Europacup-wedstrijd, maar als er niet binnen tien minuten een doelpunt viel, pakte ik een boek, begon te zappen of zette de computer aan. Voetbal boeide nauwelijks nog. Meestal wist ik niet eens wie er tegen elkaar moesten, laat staan dat ik partij koos en me liet meeslepen.
Dat heb ik volgehouden tot het laatste fluitsignaal van de finale van het WK 2010 in Zuid-Afrika. De vier weken die daaraan vooraf gingen bekeek ik het toernooi als een geïnteresseerde liefhebber. Van een veilig afstandje en aan een ieder die het horen wilde vertelde ik dat ik ‘eigenlijk niks met dit Nederland had’. Moest ik juichen voor Van Bommel? Van der Vaart? Zelfs met Robben, Groninger, voelde ik geen greintje verbondenheid. Oké, ze wonnen wel, maar niet met goed voetbal. Als Dirk Kuijt een basisplek had kon het nooit wat wezen.
De waarheid was dat ik een nieuwe teleurstelling wilde voorkomen. Ik ben van 1965 en maakte als kind twee verloren WK-finales mee. Dat zou ik niet nog een keer aankunnen. Daarom bleef ik de relativerende beschouwer. Ging het mis, was er niets aan de hand. Maar na het doelpunt van Iniesta begon ik te vloeken en ik bleef vloeken. Een uur na de finale vloekte ik nog steeds, onderwijl ik een zware salontafel door de woonkamer schopte.
Ik had het nog in mij.
Kon dat? Zomaar supporter van Veendam worden? Moest daar geen levenlange verbintenis aan voorafgaan? Zoals met Borst, Egberts en Van Roosmalen. Zelfs Williams, opgegroeid in Stoke, droomde als kind al dat hij op een dag het wit/zwart van Port Vale om de schouders zou dragen. Die onvoorwaardelijke trouw was deze mannen met de paplepel ingegoten. Zelfs Appie Alberts, saxofonist en wetenschapper uit Groningen, een bij uitstek a-sportief figuur, herinnerde zich dat zijn ‘ouweheer’ hem meenam naar het voetbal. De ene week achterop de brommer naar GVAV, de andere week met de bus naar Be Quick.
Ik ben van de laatste generatie wiens vader een brommer had.
Ben ik achterop meegeweest? Naar Veendam?
Als ik Veendam zeg maakt mijn vader een wegwerpgebaar. Met beide handen.
Hij is wél van FC Groningen. Ik werk als redacteur bij het huis-aan-huisblad De Groninger Gezinsbode, een echte stadskrant en hij denkt dat de complete redactie elke dag op de Euroborg zit. Als mijn ouders langskomen om op de kleinkinderen te passen is zijn eerste vraag: ‘Ben je nog bij de FC geweest?’
Het antwoord is altijd nee. Ik schrijf over kunst en cultuur. Bij de naam Lovre dacht ik aan een Tsjechische deejay, niet aan een nieuwe middenvelder.
Mijn vader en zijn broers hadden in de jaren zeventig seizoenkaarten. In de tijd van Theo Verlangen, Leen Swanenburg en Azing Griever. De groen/witten speelden een marginale rol in de eerste divisie. Als een mijn ooms niet kon mocht ik mee. Dat vond ik spannend, al haatte ik de Kielsterachterweg, de dertien kilometer lange verbinding tussen Bareveld en Hoogezand. Een oneindig stuk asfalt waar geen einde aan kwam. Geen rotonde, geen bocht, alleen rechtuit. Links akkerland, rechts akkerland en heel in de verte de contouren van Veendam. Je mocht er tachtig, maar op zondagmiddag reden er altijd oude mensen. Inhalen was levensgevaarlijk, dus hing je met een steeds langer wordende rij auto's een kwartier achter zo'n kut-Daf en schold ik in gedachten dertien kilometer lang op alles wat met Veendam en de Veenkoloniën te maken had.
Wat mijn vader met FC Groningen had, zou ik dat krijgen met Veendam?
Ik ging er niet heen, ik volgde de uitslagen niet, zelfs toen ik redacteur van het weekblad de Veendammer was en in die hoedanigheid een Veendam-watcher had kunnen worden, liet ik interviews met spelers en trainers over aan onze correspondent uit Gieterveen. Het enige wat ik deed was de persconferenties bezoeken, aan het begin van het nieuwe seizoen. Dan leek het nog wat. De ambities werden tussen 1997 en 2000 telkens een beetje naar boven bijgesteld, maar het werd ieder jaar minder. Bij elke bijeenkomst voelde ik de afstand groeien. Waar ging dit over? De klik was er gewoon niet. Een keer ben ik naar een Open Dag geweest. Voor de krant. Het leek me een goed idee eens een sfeerverslag te schrijven. Wat ik daar zag ging mijn verstand te boven. Mannen, vrouwen en kinderen, op de meest bizarre wijze uitgedost in het geel/zwart, vroegen handtekeningen! Aan wie? Er zat niet een speler van naam bij! Als het nu Tottenham Hotspur was geweest, maar Veendam? Ik begreep er niks van.
De enige mensen die ik herkende waren collega’s van de krant. Die woonden in Veendam. Via de businessclub was er een link met ons bedrijf. Wij waren sponsor of zo. Tammo liep er zelfs. Tammo was verslaggever bij het Groninger Dagblad.
‘Ga je straks ook kijken’, vroeg hij.
‘Waarnaar?’
‘De wedstrijd. Er is straks een oefenwedstrijd. Om vijf uur.’
‘Ben jij er dan?’
‘Jazeker, op mijn vaste plek, daar op de hoofdtribune.’
‘Vaste plek?’
‘Ik heb een seizoenkaart.’
‘Dat meen je niet. Jij zit hier elke thuiswedstrijd?’
‘Ja, is toch gezellig? John is er altijd en Jos. Mooi man.’
Ik had Tammo hoog zitten als journalist, maar hij, supporter van Veendam? Ik kon me er niks bij voorstellen, al kwam hij uit Meeden.
Maar of ik wilde of niet, ook ik was een kind van de streek. Een Oost-Groninger en meer nog een Veenkoloniaal. Ik had op de MTS in de klas gezeten bij jongens uit Wildervank, Annerveenschekanaal, Kiel-Windeweer, Veendam. Ze hadden altijd vuile handen, kaartten in de pauze om geld en werkten op zaterdag als pompbediende. De centjes gaven ze dezelfde avond uit in de discotheken van Oost-Groningen, waarna ze op de terugweg een vastloper kregen en de brommer langs stinkende diepen en donkere aardappelvelden naar huis duwden. Dat was de wereld van Veendam, mijn wereld.
Ik ging er voor.
De ironie wilde dat het net heel goed ging. Terwijl de club in het jaar daarvoor op sterven na dood was geweest en er week in week uit de meest wilde verhalen in de krant stonden. Dat ging, uiteraard, om geld. Met een schimmige overeenkomst met een sponsor was de licensie voor het seizoen 2009/2010 verkregen. Die sponsor had toegezegd meer financiers binnen te halen, maar dat was niet gelukt. De club hield hem aan die belofte en sleepte de weldoener voor de rechter. Om de een of andere reden, ik weet niet waarom, ik voelde op dat moment geen enkele behoefte me er in te verdiepen, bleef Veendam bestaan en toen ik aanhaakte, zeg januari 2011, stond de ploeg van trainer Joop Gall op een verrassende vierde plek in de Jupiler League.
Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Het moest zwaar tegenzitten, pas dan kon je laten zien dat je een supporter was.
Ik wilde dat graag laten zien. De wereld mocht weten dat ik een hartstochtelijke fan van de geel/zwarten was en dat ging het best door op de trom te slaan. Zo deden Egberts, Borst en Van Rosmalen dat. Die hadden zelfs boeken over hun club geschreven. Ik was een minder bekende schrijver, een beetje bekend in stad en ommelanden, maar ik schreef columns voor de amateurvoetbalsite tweenul.nl en bij de eerste de beste gelegenheid publiceerde ik een stuk over mijn nieuwe passe. Ik stond klaar om mij via Twitter en Facebook in verhitte discussies te mengen.
Het probleem was dat er weinig viel te mekkeren.
Het enige wat ik kon doen was een soort mission statement afleggen: meehelpen om van Veendam een cultclub te maken, zeg de St. Pauli van de provincie Groningen. Iedereen zat bij de FC, dat was een gemakkelijke keuze, maar de intelligentsia moest naar De Langeleegte, net als krakers, kunstenaars en de hoeren en pooiers van de Reeperbahn tweewekelijks het Millerntor-stadion bevolkten.
Die mening was ook sportjournalist Dick Heuvelman, een van de vele eminences grise van het Dagblad van het Noorden, toegedaan. Die schreef dat nog eerder dan ik. In zijn columns en tweets over Veendam viel veelvuldig het woord St. Pauli. Heuvelman (dvhn_derdehelft) twitterde zelfs een indrukwekkende reeks namen van uit het betaalde voetbal verdwenen clubs. Clubs die Veendam maar mooi had overleefd. De eerste vier tweets deed hij zo uit het blote hoofd:

@dvhn_derdehelft Be Quick, velocitas, gvav, oosterparkers, Leeuwarden, sc drente, zwartemeer, oldenzaal, Tubantia, sc Enschede, enschedese boys....

@dvhn_derdehelft Rigtersbleek, zwolse boys, pec, wageningen, rheden, hilversum, 't gooi, sc gooiland, hvc,sc amersfoort, Zeist, velox, elinkwijk, dos, dws...

@dvhn_derdehelft Blauw wit, de volewijckers, fc Amsterdam, Alkmaar '54, Edo, rch, Haarlem , stormvogels, vsv, kfc, zfc, xerxes, Holland sport, shs, uvs, dhc

@dvhn_derdehelft Dosko, wilhelmina, baronie, longa, noad, bvv, de valk, top, brabantia, helmondia, helmond, limburgia, sittardia, fortuna '54, rapid jc...

Daarna kwam er nog een van hem zelf, Roda Sport, dook Heuvelman de boeken in en sprongen collega’s en volgers bij en volgden namen als: Fortuna Vlaardingen (FC Vlaardingen), SVV, Vlissingen, Haarlem, SC Emma en het Goudse ONA, Ik deed een duit in het zakje met DS ’79.
Wat ik vond en hij ook was dat het geweldig zou zijn als elke twee weken een groepje schrijvers, muzikanten, toneelspelers en weet ik wat Michael de Leeuw of Angelo Cijntje kwam aanmoedigen. Cijntje zou een cultheld kunnen worden. Ik schreef ook een stuk over mijn passie voor Veendam in de Groninger Gezinsbode. Een dag later was er al een telefoontje van Jaap, net een jaar ex-wethouder van de stad Groningen en Wildervanker van origine.
‘Wanneer gaan we?’
‘Wat?’
‘Naar Veendam?’
‘Wat doen?’
‘Je wilt toch naar De Langeleegte?’
‘Oh, dat. Heb je het gelezen? … eh... wou je mee of zo?’
‘Ja.’
‘Echt?’
‘Ja, anders bel ik toch niet?’
Het thuisduel tegen Almere FC kwam iets te vroeg, dus gingen we eerst maar eens lunchen. Dat voetbal liep niet weg en als het zo doorging haalden ze nacompetitie en dan was het alweer lente. Douwe, bibliotheekmedewerker en literatuurliefhebber in stad, wilde ook best mee. Weer een dag later kwam er een mailtje binnen van een collega-schrijver, Bill. Ik had in het Gezinsbode-verhaal vermeld dat hij mee ging naar Veendam. Dat wist Bill nog niet.

Moi Herman,

Kreeg eergisteren Michiel aan de foon terwijl ik op mijn rolstoelbus aan het werk was. Helemaal van slag. Michiel wist immers niet dat ik fan was geworden van BV Veendam. Op zich begreep hij het wel. Geen herinnering zo zoet als toen FC Groningen zich jaren geleden terug knokte vanuit de Eerste Divisie naar de Eredivisie, onder de bezielende leiding van über Groninger Jan van Dijk die op zonnige dagen met zijn blote voeten in een teiltje water naast de dugout zat. Ineens hoefden we dat jaar niet langer met samengeknepen billen op de tribune te zitten. & dat ook nog in een tijd dat we in de pauze nog onbekommerd broodjes met vette braadworsten & uitjes konden bestellen achter de Tonny van Leeuwentribune, terwijl allerlei kerels naast je door het hek stonden te pissen. 

- Die in de Euroborg node gemiste voorziening bestaat vast nog aan De Lange Leegte, besloot Michiel zijn betoog. 
- Waar de fuck heb je het eigenlijk over? vroeg ik verbaasd. 

Totdat ik gistermorgen bij het ontbijt jouw stuk in De Gezinsbode las. ;-) Op zich wil ik er best wel eens een keer heen, maar dan wel mits er braadworst te koop is. 

Groeten,

Bill


Als geroepen kwam de nieuwe directeur van Veendam, Henk Eising. De enige (min of meer) Bekende Nederlander die in de 21ste eeuw zijn haar nog door Leco Zadelhoff liet doen had het plan opgevat de naam van de club te veranderen. Dat was onderdeel van het Kolonistenplan, waarmee de trots van de Veenkoloniën weer vlot getrokken moest worden. Het plan kwam er ongeveer op neer dat je op verschillende manieren in kon springen als financier. Van 150 tot 15.000 euro. Wat je wilde. Het financiële tekort was onder zijn leiding al fors teruggebracht, maar voor het nieuwe seizoen (2011/2012) bleek de begroting nog niet rond en om de laatste sponsoren over de streep te trekken heetten wij als fans geen Veenkolonialen meer maar Veenkolonisten en moest er een nieuwe naam komen. Vond hij. BV Veendam was te bedrijfsnaamachtig. Daar was ik het uiteraard niet mee eens, helemaal niet omdat de man met voorzetjes als FC Langeleegte, Parkstad Veendam en FC Veenkolonialen kwam aanzetten.
Ik vond Veendam juist goed. Daar mocht hooguit SV of SC vor. Als de club aangemoedigd moest worden was juist een kort ‘Veendam!’ heel geschikt. Dat paste bij de volksaard. Wij waren Groningers, Oost-Groningers zelfs. Stijfkoppen die je met geen tien paarden meekreeg in de vaart der volkeren. Norse zwijgers die meer niet dan wel zeiden en als we wat zeiden slikten we de helft in. Een clubnaam van twee woorden was te ingewikkeld.
Je staat 1-0 achter in het laatste kwartier tegen Zwolle en in de verte zwelt een storm aan. Het begint zachtjes achter het doel van Peter van der Vlag en gaandeweg wordt het op de andere zijdes overgenomen: een krachtig gescandeerd ‘Veendam!’. Steeds harder en uit steeds meer kelen totdat het hele stadion als één man keihard ‘VEENDAM!!!’ over het veld brult. Als de Zwollenaren de vingers weer uit de oren hebben staat het 2-1.
Een naam was nodig, zelfs in de provincie Groningen konden we niet onbeperkt ‘Hé’ en ‘dat’ gebruiken, maar over een naam ging je geen stennis maken. De clubnamen in het noorden waren vooral praktisch, kort en als het meezat krachtig.
GIJS was geen naam waarmee je op de voorpagina van de Sports Illustrated kwam, het was jarenlang wel een begrip in de vaderlandse ijshockeywereld. Net als Donar. Ik snapte de behoefte van een sponsor om elke keer genoemd te worden, maar GasTerra Flames was een belachelijke titel voor een basketballvereniging, zeker een Groningse basketballvereniging. Wie handbal en Emmen zei, zei E&O. Die naam kwam echt niet uit de koker van een reclamebureau, maar omdat de voorzitter een avondje bier en bitterballen besloot met ‘laoten wie t simpel holden, jongens’. In de jaren negentig, toen de ene naar de andere titel werd binnengehaald, sidderde handballend Nederland als E&O uit op het programma stond. Het ging in het noorden des lands om wat je deed, niet hoe je het noemde.
Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan, hadden ze ook bij Nic. gedacht. Marketingtechnisch geen briljante vondst, integendeel zelfs (‘Hé Nic met je dikke pik’), maar in de glorietijd van Taco Poelstra, de Johan Cruijff van het korfbal, liep het de jongens en meisjes van Allen Weerbaar en Ons Eibernest dun door de broek wanneer je ze ‘Nic.!’ in het gezicht blafte.
Als het Eising te doen was geweest om de publiciteit was hij in ieder geval in zijn opzet geslaagd. Dan kon ik me er ook wel iets bij voorstellen. Je moest wat om een betaald voetbal-organisatie op de been te houden in een van de armste en dunst bevolkte streken van Nederland. En er was roering. Zoveel dat het eerstvolgende supporterscafé, waarin Eising zijn plannen kenbaar maakte, niet de gebruikelijke vijftig, maar 150 man publiek trok. En voor de altijd beladen uitwedstrijd tegen Emmen hadden Veendam-supporters een wasmachine aan het hek bij Emmen geklonken. De rode shirts van de Drenten waren in de wasmachine verkleurd. Humor om te lachen, ook dat was nieuw in de Veenkoloniën.
Al die roering was natuurlijk niet mijn verdienste, maar ik deed een beetje mee. We gingen boeiende tijden tegemoet. Ik keek vrijdagsavonds naar Voetbal International, al wist ik via mijn smartphone natuurlijk de uitslag al en ’s maandags spelde ik het wedstrijdverslag in het Dagblad van het Noorden. Mijn vader was minder geschokt dan ik had gedacht (‘Veendam? Ben jij wel goed bij je hoofd?’), ik wees personeel van de lokale kiosken op het feit dat er alleen merchandise van FC Groningen te koop was (‘Wil je nu even je baas bellen?’) en mijn vriendin vond het niet meer dan logisch. Zij is geboren en getogen in Veendam. Ik was zelfs zo ver gegaan mijn idee voor de nieuwe naam naar de club te mailen (SC Veendam) en mijn mening te geven over het nieuwe logo (‘wat is er mis met het oude logo?’). Wie weet zouden ze mijn advies overnemen. Wie weet gingen ze onder de goede inzenders een prijs verloten. Misschien een seizoenskaart!
Ik realiseerde me bovendien dat ik als vader een missie had. De liefde voor de lokale trots was mij misschien niet met de paplepel in gegoten en een brommer was zelfs in de Veenkoloniën uit de mode geraakt, maar mijn oudste zoon was zeven. De leeftijd om voor het eerst met je pappa naar het voetballen te gaan. Ze voetbalden vrijdagsavonds en de stadionverlichting zou grote indruk op hem maken. Ik stelde voor dat ik geel/zwarte sjaaltjes kocht, een voor hem en een voor mezelf. Het leek hem wel wat, al had hij nog wel een vraagje.
‘Waarom gaan we niet naar FC Groningen? Die zijn toch beter?’

Herman Sandman
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen