maandag 2 december 2013

Blokken (3)

Zwarte man Mensema graaft in zijn geest en komt uit bij een meisje op dansvloer van De Kar. In het kader van 'conceptual continuity' komt hij haar weer tegen. Of lijkt ze als twee druppels water op iemand anders.

  
Ik zou haar later nog geregeld vervoeren in mijn rolstoelbus. Dan belde ik eerst bij haar aan, in haar flatwoning, op een steenworp afstand van de plek waar mijn Nederlandse oma gewoond had.
Kom je me halen? vroeg ze altijd via de intercom.
Ik stapte de smalle lift in en drukte op het hoogste knopje. Boven aangekomen liep ik haar appartement naar binnen. Ze wachtte altijd in de zijkamer. Waarschijnlijk was het bedoeld als kinderkamer, maar ze woonde er alleen. Inmiddels zat ze al in haar rolstoel en luisterde ze naar een hippe radiozender.
Sinds haar ziekte zich in een steeds agressievere vorm in haar lijf manifesteerde, was muziek het enige dat haar nog kon boeien. Ik vroeg haar eens of ze dan helemaal geen tv keek of boeken las. Ze schudde haar hoofd.
‘Ik luister de hele dag naar muziek, zei ze, en dan mijmer ik een beetje.
Eenmaal in de bus stapte ze uit de rolstoel. Dan waggelde ze met haar lange benen naar een vaste zitplaats. Ze bleef nooit in haar rolstoel zitten.
Meestal bracht ik haar weg naar een volledig overdekt winkelcentrum in het westen van de stad, waar de meeste rolstoelklanten hun boodschappen doen. Onderweg wilde ze weten over Australië, want ze wist al direct na onze eerste gezamenlijke rit van mijn band met dat land. Met een paar simpele vragen had ze toen mijn volledige doopceel gelicht.
Soms vroeg ze naar mijn boeken, maar dat was meer uit beleefdheid. Ze was vooral geïnteresseerd in Oz, in die vreemde zandbak ter grootte van een continent in de Stille Oceaan. Ze was er nooit zelf geweest, maar als jonge meid had het bovenaan op haar verlanglijstje gestaan.
Helaas kreeg ze al veel te vroeg te maken met de verzwakkende verschijnselen van MS.

Ze was nog steeds zo mooi als de eerste keer dat ik haar gezien had, meer dan dertig jaar geleden. Eigenlijk was het vreemd dat zo’n tijdspanne een amper noemenswaardig spoor in haar gezicht had achtergelaten. Vanzelfsprekend zag ik nu wel wat kleine rimpels bij haar ogen en bij haar lippen, maar ze zag er grotendeels net zo uit als destijds in discotheek de Kar.
Ze was de langste van de drie, zoals ik de kortste (en de breedste en de dikste) was van de vier.
In die dagen droeg ze steevast een glanzende pantalon als ze aan het dansen was voor de enorme spiegels die over de hele lengte van de dansvloer – tot aan het plafond – aan de muur bevestigd waren. Ze kon heel erg opgaan in de sensuele funk van Earth, Wind Fire. Op een zondagavond in de Kar stond ik daar meestal ook als een wilde op te dansen. Soms niet. Ik positioneerde mij dan achter een brede paal aan de zijkant en keek via de spiegels toe hoe zij zich liet meeslepen door de muziek. Soms staarde ik dan alleen maar naar haar gezicht. Soms gluurde ik via de spiegels naar haar billen.
Een van haar kleinere vriendinnen had altijd de meeste aanspraak. Telkens weer een andere kerel.
Ik kan me niet herinneren het lange meisje ooit met een vent in de Kar te hebben zien zoenen.
Soms stond ik bij haar in de buurt te dansen. Dan viel me op dat ze minstens een halve kop groter dan ik was.

In de jaren daarna zag ik haar zo heel nu en dan fietsen door de stad. Toen niet meer. Zoals dat gaat met de meeste mensen in je leven die je alleen maar van gezicht kent, vergeet je ze op den duur. Ze waren er ooit, ze vielen je om de een of andere reden op, en dan verdwijnen ze ineens uit beeld. Soms ben je benieuwd waar ze gebleven zijn, maar meestal niet.
Je kan niet alles bewaren.
Je kan niet alles onthouden.

Als ik haar niet in mijn rolstoelbus zou hebben vervoerd, zou ik al die jaren later waarschijnlijk nooit meer aan haar gedacht hebben.
Jij kwam vroeger toch ook in de Kar? vroeg ik haar eens in de bus.
Nee, antwoordde ze, daar ben ik nog nooit geweest.
Verbaasd keek ik in mijn achteruitkijkspiegel enzag hoe ze intussen naar buiten staarde, naar al die mensen die nog wel gewoon over het trottoir konden wandelen, die op straat fietsten, die voor het stoplicht stonden te wachten.
‘Ik zou zweren dat jij het was, zei ik.
Wie?
Een van die drie meisjes die begin jaren tachtig altijd op de rustige avonden, zoals zondag- en dinsdagavond, in de Kar stonden te dansen.
Ik was het niet, zei ze.
Ik wist dat ik niet langer kon aandringen, dus ik zweeg.
Ik hoor het wel vaker, zei ze ineens.
Wat?
Blijkbaar lijk ik als twee druppels water op dat meisje dat je bedoelt.
Dat was dertig jaar geleden, zei ik, ze is geen meisje meer.
Dat ben ik ook niet meer.

De laatste keer dat ik haar vervoerde was een zogeheten vice-versa rit. Ze moest naar een adres en daarna direct weer terug. Het zijn ritten die we vaak verrichten voor klanten die medicijnen moeten ophalen bij de apotheek.
Deze keer ging het om een ritje naar een pompstation in het zuiden van de stad, want haar sigaretten waren op.
Achter in de bus trilde ze meer dan gewoonlijk.
Nadat ik voor haar de sigaretten had gehaald, reden we door naar een even verderop gelegen wijk aan het meer. Het was een mooie dag en ik haalde haar uit de bus, zodat ze zittend in haar rolstoel even kon roken bij het water.
We wisselden geen enkel woord met elkaar, zelfs niet over Australië. We rookten alleen maar en keken uit over het meer.

Die dag was de laatste keer dat ik haar zag. Sindsdien heb ik haar nooit meer vervoerd. Opnieuw verdween ze uit mijn leven.
Het is inmiddels drie jaar geleden, maar deze keer ben ik haar niet vergeten.

Ook herinner ik me nu dat ze me destijds in de Kar nooit ook maar één blik waardig heeft gekeurd.

© Bill Mensema

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen