maandag 1 april 2013

De Messi


Het volgende schrijven zal wel ondersneeuwen in de hectiek van morgen. Maar voor de mensen die het vanmiddag in de kerk gemist hebben en dat zijn er nogal wat, bij dezen het verhaal van Herman. Oftewel hoe Kerst en Pasen in de Veenkolonies en Veendam samenvallen. De betekenis van een evangelie is tenslotte goed bericht. Laten we het hopen.


Hoe de Messi weer uit Veendam verdween

Het was een tijd van crisis. De banken vielen om, er waren problemen in de zorg, onderwijs en vervoer, de woningmarkt zat op slot en schriftgeleerden braken zich het hoofd over blauwdrukken van reddingsplannen en het was in die dagen dat er drie mensen aan de poort stonden van een kleine stad in het noordoosten van Nederland, het stadje dat we kennen als Veendam.
Het waren Jozef Christopokoulos, zijn vrouw Maria en hun enige zoon, de vijftienjarige Jezus. Ze kwamen van verre, uit het oosten, uit een land waar een nog grotere crisis heerste, waar de mensen nog nooit van belasting hadden gehoord en omdat de regering daar nu ook belasting wilde heffen, waren de drie gevlucht.
Maar ze waren nergens welkom.
‘Het is hier vol’, klonk het telkens, ‘rot op naar je eigen land.’
Veendam was hun laatste hoop. Ze hadden gehoord dat het de Parel van de Veenkoloniën werd genoemd. Dat stadje moest dus onnoemlijk rijk zijn.

Ze stonden aan het begin van een heel lange weg.
‘Man, man, man, wat een leegte’, mopperde Jozef.
‘Een allejezuseind’, grapte Jezus.
‘Het stinkt hier ook’, mopperde Jozef.
‘Zal ik straks uw voeten even wassen’, vroeg Jezus.
Maar aan het einde van die lange leegte, als een pot aan het einde van de regenboog, stond een groot gebouw, met vier grote masten die een helder licht uitstraalden.
‘Ik dacht dat er één ster zou zijn’, merkte Jezus op, ‘dit zijn er vier!’
‘Zoveel licht, dat is een teken’, concludeerde Jozef.
‘Dat zei je bij die kolencentrale ook’, sneerde Maria.
‘Geen ruzie maken’, kwam Jezus tussenbeide, ‘we maken allemaal fouten. Alleen hij die zonder zonden is mag met stenen gooien.’
‘Kappen jij, met je tegeltjeswijsheden’, beet Jozef zijn zoon toe
Ze zagen een geelzwart embleem boven de ingang: SC Veendam. En daarnaast ‘De Langeleegte’. Terwijl ze voorzichting richting ingang liepen, onzeker over hoe het welkom zou zijn, rolde een bal hun kant op.
Jezus bedacht zich niet en passte het speeltuig in een tijd terug, in de voeten van een van de jongemannen die er achteraan was gerend. Hij keek verbaasd naar Jezus en liep meteen terug, roepende van: ‘Hé, trainer…’
Jozef, Maria en Jezus liepen door. Het gebouw leek van dichtbij nog groter. Zo zag rijkdom er dus uit. En die auto’s op de parkeerplaats: een Porsche Panamera, een witte Audi… Dan had je geld. En smaak. Het klopte dus wat men zei over de Parel van de Veenkoloniën, waar het geld stroomde als water.
Er zat een oudere mevrouw achter een loket, maar voordat Jozef een vraag kon stellen, klonk achter hen gekuch. De drie keken om.
‘Goeidag luu, ik ben De Voorzitter.’
‘Sjaloom,’ zei Jozef, ‘ik ben Jozef Christopokoulos, dit zijn mijn zoon en mijn vrouw. Wij komen van verre, we zijn bekaf en op zoek naar een plek voor de nacht. Het hoeft niet luxe. Al is het maar een sta... ’
‘Dan moet je bij het asielzoe…’, begon de vrouw achter loket, maar ze werd door De Voorzitter afgekapt: ‘Kop dicht, Dina.’
Hij richtte zich weer tot het drietal: ‘Zeg eh…, Arjan zag hoe jij…’ en zijn vinger priemde in de richting van Jezus, ‘…die bal terugschoot. Zag er goed uit. Waar heb jij gevoetbald?’
‘Eh, nergens’, stamelde Jezus, ‘gewoon. Soms op straat met vriendjes. Ik heb er niet zoveel tijd voor eigenlijk. Ik ben op aarde om vre…’
‘Vreten, daar zeg je zowat’, onderbrak De Voorzitter hem, ‘Ik nodig jullie uit in mijn kantoor voor een bete broods, droge worst en wat te drinken en dan kunnen we even babbelen. Jullie hebben vast honger.’
Jozef, Maria en Jezus knikten.
‘Dina!’, brulde hij richting loket, ‘maak even wat hapjederij.’
De Voorzitter wond er geen doekjes om. Die trap van Jezus, die verraadde zijn talent. En talenten waren welkom hier. Het huis was van SC Veendam, een betaald voetbalorganisatie. Een club met ambities. Ze wilden naar de top. Niet met het tegenwoordig zo populaire tikkietakkie, nee, met bloed, zweet en tranen. Dat waarmee deze stad was opgebouwd. Daar stond de streek om bekend. De Langeleegte was een begrip. Clubs die op bezoek waren deden het in hun broek van angst en niet alleen omdat het ver weg was.
’t Kon minder op dit moment,’ vervolgde De Voorzitter, ‘wat wij nog missen is de icing on the cake. Het laatstje zetje richting de top. Maar…,’ onderbrak hij zichzelf, ‘ik ratel maar door en ik weet niet eens hoe je heet.’
‘Jezus,’ zei Jezus, ‘maar vergeet die naam. De kans dat ik verloochend wordt is vrij groot. Ik noem mezelf dus de Messi…’
‘Dina!’, brulde De Voorzitter direct, ‘neem ook n contract mee! En waar blijft die vreterij?’
‘…ias’, wilde Jezus zijn zin afmaken maar de voorzitter stormde de deur uit, scheldend dat hij weer alles zelf moest doen.
Het gezin Christopokoulos kreeg meteen onderdak, nadat de overblufte Jezus zijn handtekening had gezet onder een papier met een tekst in een voor hem onbegrijpelijke taal. Net op tijd, want Maria greep naar haar buik.
‘Wat is er?’, riep Jozef in paniek, ‘komt er nog een kindeke?’
‘Geen paniek’, kalmeerde Maria hem, ‘ik heb krampen. Omdat we van jou uit de vuilnisbak bij de Mac moeten eten.’
Ze kregen de volgende dag zelfs een huis. Aan de Kruisweg, in Plan Noord. Daar woonden meer mensen uit landen waar niemand van belasting had gehoord. Jozef ontdekte al snel waarom. Ze kregen hier zomaar geld, zonder te hoeven te werken. De Parel van de Veenkoloniën deed zijn naam eer aan.
Het enige verschil met de anderen gezinnen was dat Jezus elke dag moest trainen.
De clubleiding had het goed gezien op de parkeerplaats. Zijn talent was onmiskenbaar. De jongen was tweebenig, snel, had techniek, overzicht, inzicht, was niet te beroerd om te werken en toonde zich een leiderstype.
De komst van de nieuwe Messi, zoals men hem, dankzij De Voorzitter, bleef noemen, zong zich snel rond. Het duurde niet lang of de tribunes puilden uit en zelfs bij de trainingen stonden niet alleen de gebruikelijke negatievelingen langs de kant.
Met zijn vijftien jaar was hij volgens de wet te jong om in het eerste te mogen voetballen, maar, zo zei De Voorzitter tegen De Administrateur: ‘when he is good enough, he’s old enough. Ik ga met hem mee zijn paspoort aanvragen, als je begrijpt wat ik bedoel.’

Jezus was wel een buitenbeentje. Hij had lang haar, een opvallende baardgroei voor een vijftienjarige en het leek of hij voortdurend in het licht liep. Dat viel op in de Veenkoloniën, waar dag in dag uit donkere wolken langs het zwerk raasden.
Wat Jezus ook deed was praten. Heel veel praten. Maar iedereen luisterde, zelfs de ouderen.
‘Slaan jullie hem dan niet op zijn gezicht?’, vroeg Dickie, de eminence grise van de Veenkoloniale journalistiek, gewend aan knorrige routiniers die wel raad wisten met jeugdige praatjesmakers.
‘Nee,’ zei De Aanvoerder, ‘want hij heeft vaak gelijk.’
Jezus praatte wel errugg veel, vonden de mensen, net als Johan. Ook zo’n type. Die werd De Verlosser genoemd.
Jezus kende Johan niet: ‘Maar er zijn veel valse profeten. Slechts een kan de ware zijn. Ik ken alleen mijn Vader, van wie ik De Zoon ben.’
‘Jozef dus’, gokte De Voorzitter.
‘De Vader die in de Hemel zijt’, verbeterde Jezus.
‘Dat moet je me nog maar eens uitleggen’, zei De Voorzitter.
Over zijn kwaliteiten bestonden geen twijfel, dat zag een blinde, maar Jezus hield er merkwaardige opvattingen op na. Het leek of hij niet wilde scoren. Het kwam meer dan eens voor dat het supertalent door de vijandelijke defensie soleerde, maar eenmaal vrij voor de keeper afgaf aan een medespeler die er minder goed voor stond. Daarmee gingen wedstrijden verloren die gewonnen hadden moeten worden. Ook in duels waarin gebuffeld werd, gedroeg de jonge Christopokoulos zich apart. Na een charge keerde hij zijn belager zijn andere been toe. Een unicum in de voetballerij, een wereld van oog om oog, tand om tand.
Na een paar van zulke wedstrijden vond De Voorzitter het tijd voor een gesprekje, maar Jezus zei: ‘De weg is het doel.’
‘Misschien waar jij vandaan komt’, riposteerde De Voorzitter, ‘hier moeten de ballen er gewoon in. Daar draait het om. Elke schot een eendvogel. Met het ‘hoe’ zijn we minder bezig. We willen winnen. Dat lukt alleen met doelpunten. Het doel heiligt de middelen zeg maar.’
‘Met alle respect,’ zei Jezus, ‘u mist het grote verhaal. U wilt omhoog zonder vaste grond, zonder fundering. Uw mensen, die zijn de bouwstenen, die vormen de fundering. Daar moet je in investeren.’
‘Het enige wat ik vraag’, verzuchtte de Voorzitter, ‘is of je wilt schieten. Zonder schieten kun niet scoren. Capice? En nu moet ik weg, naar de sponsoren.
Jezus gezicht betrok: ‘Kijk uit voor die mensen. Voorwaar ik zeg u: zij brengen geld, maar zij brengen ook problemen. Zij zijn de zwam die aan de fundering knaagt.’

Jezus bleef zijn eigen gang gaan. Hij was het water dat de akkers bevloeide en het land vruchtbaar maakte. Dankzij hem werd de selectie meer dan de som der delen.
Maar zijn eigengereidheid begon te irriteren. Daarbij gebeurden er soms vreemde dingen waar de Veenkolonialen niet aan gewend waren.
Op een dag waren er geen broodjes bij de lunch. De catering was de middag ervoor vergeten de bestelling door te geven. Een woedende Teammanager belde Broodjeszaak De Samaritaan, op Beneden Oosterdiep.
‘Wacht’, zei Jezus, ‘hebben we echt niks?’
‘Een half broodje ham en twee haringen, te weinig voor twintig man.’
Jezus verdween met de restjes in de sponsorruimte en kwam even later terug met twee dienbladen verse broodjes, een pan kippensoep, acht droge worsten, twee schalen zeebanket, een zak goudreinnetten en een terrine dampende krentjebrij.
‘Wow’, zei teamgenoot Harris, een verwoed hengelaar, ‘zoveel vis heb ik nog nooit bij elkaar gezien.’
Bij een training in het Borgerswold, belandde een bal in de recreatieplas. Voor het oog van zijn verbaasde ploeggenoten liep Jezus over het water naar de bal.
‘Het is dat ik erbij was anders had ik het niet geloofd’, zei Arjan.
‘Ik geloof het nog steeds niet’, zei Thomas, de linksback.
‘Misschien is hij aan de drugs’, zei Henk.
De Masseur vertelde: ‘Ik was Jopie aan het kneden. Je kent Jopie. Volksjongen. Loopt twintig kilometer per wedstrijd. Gaat door beton. Maar na elk duel zure benen. Dan moet ik drie uur met hem aan de slag. Ik was net begonnen, komt Jezus mijn kamertje binnen. Hij zegt niks, maar legt zijn handen op die Parmahammen van Jopie en ik zie diens gezicht ontspannen. Weg pijn! Ongelooflijk!’
De twijfels bleven echter. Het bleef een rare snijboon, die totaal niet voor resultaat ging. Na zeven magere wedstrijden, die door pech en onkunde verloren gingen, nam het gemor toe. Alleen omdat het zo’n aardige jongen was, mocht ie blijven.
Totdat hij na de 6-5 zege in de derby tegen SC Cambuur, alle sponsoren en zakenmensen uit de businesslounge joeg.
‘Wat doe je?’, vroeg De Voorzitter.
‘Zij spreken met valse tongen,’ zei Jezus, ‘zij zijn hier niet voor de club, zij hebben andere belangen. Als u niet de vinger aan de pols houdt, gaat het mis. Het volk, de supporters, zijn belangrijk. Open de deuren van uw huis voor de gewone man. Een voetbalclub is van mensen, niet van kooplieden. Voorwaar ik zeg u.’
Die actie luidde zijn vertrek in. De sponsoren deden hun beklag bij De Voorzitter, over die brutale aap die een veel te grote mond had. Doelpunten en geld, daar ging het om, niet om tikkietakkie en vage theorieën.
Hij had geen keus, zei De Voorzitter tegen een journalist. Tijdens het interview, dat bij hem thuis plaatsvond en dat over rendement en mentaliteit ging, hoorde de verslaggever de hele tijd een haan kraaien.
‘In mijn tuin? Kan niet’, zei De Voorzitter, ‘ik heb geen haan.’
Het volk ging ook zien wat De Voorzitter had gezegd. Die Jezus moest eens gaan werken. En scoren. Wanneer deelde hij eens een beuk uit? Het was derop of deronder. Waarom nam die wijsneus niet een voorbeeld aan Jopie? Hoe die op zijn leeftijd door muren ging. Leek wel herboren. Die Jezus bleef maar praten en praten. De mouwen omhoog, dat wilden de mensen zien, met het schuim op de bek. Zo was Veendam, de Parel van de Veenkoloniën, groot geworden.
Zijn laatste uur bij de geelzwarten sloeg in de wedstrijd waarin de club bij winst nog net in het linkerrijtje bleef. Jezus kwam zeven keer alleen voor de keeper. Zeven keer speelde hij af naar iemand die er minder goed voor stond en zeven keer werd het geen goal. En zoals zo vaak in de voetballerij ging ie er aan de andere kant wel in.
Het publiek was woedend. De hele Windhoek-tribune drong het hoofdgebouw binnen en eiste zijn vertrek. Zijn gang naar huis werd een vlucht. Jezus werd tot in Plan Noord nagezeten. Op de Kruisweg struikelde hij en voltooide het laatste stukje op de knieën.

Het huis van de Christopokoulosjes was de volgende dag leeg. De drie waren met stille trom vertrokken, midden in de nacht.
‘Waarheen?’, zuchtte Maria.
‘Moet je hem vragen’, bromde Jozef, ‘hij weet alles toch zo goed.’
‘Spanje,’ klonk het beslist, ‘Santiago de Compostela. Van wat ik hoor moeten we er welkom zijn.’
‘Weet jij de weg?’, vroeg Jozef.
‘Ik ben de weg’, zei Jezus.
‘Ja joh, doe nog even bijdehand’, bitste Jozef, ‘een ding: kap met dat Messias-gedoe. Komt alleen ellende van. Messi klinkt beter. En die Voorzitter heeft gelijk. Je moet meer schieten.’
Jezus beloofde het zijn vader en ze gingen op pad. Naar Spanje. Het drietal zou Compostela echter nooit bereiken. De jongen maakte de fout door na de Pyreneeën niet naar rechts, maar naar links te gaan. Zo kwamen ze uit in Barcelona.
‘Het stinkt hier in ieder geval niet’, zei Jozef opgelucht, ’lekker temperatuurtje ook. Alleen nog een plek voor de nacht. Iemand een idee?’
‘Kijk’, riep Jezus plotseling, ‘een ster. Of nee, het zijn er vier!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen