maandag 30 juli 2012

Stilstaan bij een beeld (3)

Van Veendam noar Londen 2012.



Tijd om te recyclen in de meest letterlijke betekenis van het woord. Marianne Vos afgelopen voorjaar in de N.H. Kerk van de Parkstad. Marianne, gefeliciteerd met het goud.

zondag 29 juli 2012

Stilstaan bij een beeld (2)

We geven toe. Een tikkeltje te laat, daarom voor de verandering in kleur. Het contrast van de gele man tussen twee zwarte mannen in een Van Gogh landschap, wat wil een mens nog meer! Het is een teken, een signaal.



vrijdag 27 juli 2012

Stilstaan bij een beeld (1)

Het is tijd voor vakantiekiekjes. Laat het geen prijsvraag zijn, maar voelt u de behoefte schroom niet en stuur. De lat ligt hoog. Zwarte man Fousert maakte terloops het volgende kiekje in Leuven. De naam Ludo krijgt hij maar niet van zijn harde schijf. Zoals gezegd, de lat ligt hoog.


woensdag 25 juli 2012

Niet HSV maar Hauler Boys

Het weer is goed. Bill heeft er dan ook zin in. Even geen aandacht voor het open huis in Veendam. De urgentie zit voor Mensema in Korea. Bakkeveen, wie is er niet op kamp geweest!


Ik haal uit vandaag. Vandaag is een dag om uit te halen. Niet om uit te huilen, maar om uit te halen. Het is een veel te mooie dag om uit te huilen. Dan liever uithalen.

Uithalen naar FC Groningen.

Daar gaan we.

20 jaar geleden kostte mijn seizoenskaart voor het Oosterparkstadion van FC Groningen aan de Zaagmuldersweg slechts 144 gulden. Een staplek linksonder de Tonny van Leeuwen tribune kreeg ik ervoor. Beste plek die ik ooit heb gehad. Was ook geen vaste plek. In de ons toegewezen ruimte konden we gewoon gaan staan waar we wilden.

Met z’n allen onder elkaar.

Juichen als het goed ging.
Mopperen als het slecht ging.
De tegenstander vervloeken als die net ietsjes beter dan de FC was.
Kankeren op de eigen jongens als ze weer eens totaal onder de maat presteerden (tegen MVV stonden we eens na 20 minuten al met 0-3 achter).
Zeiknat als het regende.
Voormalige boerenpunk Ricky die altijd het scherpst van ons allemaal was en de grappigste dingen zo keihard over het veld schreeuwde dat zelfs de doelman aan de Parkzijde in de lach schoot (behalve als FC Twente op bezoek was en Ricky de hele wedstrijd lang in tweestrijd verkeerde).
Peter Programma die alles altijd weer terugbracht tot de gloriedagen met Milko Durovski.
Zwarte Man Rob die in de wintertijd altijd een flacon Jägermeister bij zich had en die gul met iedereen deelde.
Met z’n allen springen op ‘Ding-e-ding’ van Guus Meeuwis in de rust om de verkleumde ledematen weer een beetje van bloed te voorzien.
Uitbundig luchtgitaar spelen op ‘Jump’ van Van Halen.

Vorig jaar kostte een seizoenskaart al 180 euro en daarvoor heb je een vast toegewezen plek – die ene stoel in die ene rij in dat ene vak op die ene ring aan die ene zijde – in de Euroborg, die ik qua sfeer altijd al kut gevonden heb.
De hel van het noorden…
De groene kathedraal…
Ach, hou toch op!
Het is vooral de natte droom van al die geile, zielloze projectontwikkelaars die al jarenlang alleen maar spuuglelijke, spotgoedkope blokkendozen bouwen – zonder de oude vertrouwde schuine daken! – die ze voor mega geld weten te verkopen, zodat hun beurzen nog dikker worden en hun vrouwen nog dunner. 

Het is ook omdat ik tegenwoordig zondags op de rolstoelbus werk, maar ik heb mijn seizoenskaart voor FC Groningen dit jaar opgegeven. Maar goed ook, want ik heb begrepen dat de prijs inmiddels over de 200 euro ligt.
Een dergelijke prijsstijging vind ik volstrekt onlogisch na zo’n waardeloos seizoen als 2011-2012. Waarom moet je voor wanprestaties worden beloond? Of is het omdat Robert Maaskant de nieuwe trainer is? En dat de vorig jaar zo langdurig met een bizarre blessure kwakkelende Kees Kwakman eindelijk weer gerevalideerd is? Het moet haast wel, want op Radio Noord zijn dat de enige twee mannen van het nieuwe elftal die je continu aan het woord hoort.
Zelfs nu de spelers momenteel in Zuid-Korea zijn voor een of ander toernooi, zijn het alleen die twee mediagenieke mannen die steeds weer de pers te woord staan.
Op het moment van schrijven heeft FC Groningen trouwens alweer verloren van het Hamburger HSV (wij Zwarte Mannen zijn zoals bekend voor het Hamburger Sankt Pauli, maar omdat het Hamburg betreft, hebben wij zelfs een lichte zwak voor HSV) en van het Britse Sunderland met een blamerende 3-2 terwijl ze in de rust nog met 1-2 voorstonden.

Schreef ik Zuid-Korea?
Ja, dat schreef ik.

En daar gaat dus al het geld aan op, aan een peperdure trip van het elftal naar Zuid-Korea. Het interesseert mij niet of de club daarvoor is uitgenodigd of niet, als je zo kut speelt als FC Groningen het afgelopen seizoen, dan doe je dat gewoon niet.
Je neemt dan je fatsoen, als een echte vent. Heb je het afgelopen jaar slecht gepresteerd, dan hoef je daarvoor niet beloond te worden met zo’n snoepreisje. Dan ga je voorafgaand aan het nieuwe seizoen op trainingskamp in een oude, sleetse kampeerboerderij in Bakkeveen. Dan ga je niet spelen tegen HSV maar tegen de Hauler Boys. Dan ga je na twee uur training niet bij het zwembad van het drie sterren hotel in Zuid-Korea lekker bakken in de zon, maar met z’n allen schuilen onder het aftandse afdak achter de kampeerboerderij tegen de Nederlandse regen.
Dan haal je er niet allerlei ingewikkelde redenaties bij om zulk paradijsvogel gedrag goed te praten, maar dan zwijg je beschaamd. Dan lever je een deel van je salaris in. Dan ga je maar weer eens op de fiets naar het trainingsveld. En naar het stadion als er op zondag een wedstrijd gespeeld moet worden. Dan zet je alles op alles om het weer goed te maken met de supporters.
Met deemoed.
En met eer.

Ach, ik snap het wel. De top doet al jaren niet anders dan zo. De casinokapitalisten die het tegenwoordig voor het zeggen hebben in onze maatschappij doen niet anders.
Tot in de 19e eeuw was het gebruikelijk dat een generaal die een veldslag verloren had zich nadien door de overwinnaars liet executeren, zodat zijn manschappen konden worden gespaard en omdat hij zichzelf nu eenmaal verantwoordelijk hield voor de nederlaag. Maar die tijd is allang voorbij.
De afgelopen 20 jaar is het in de zakenwereld bonton geworden de hoogst verantwoordelijke hoe dan ook fors te belonen, of het nu goed gegaan is met het bedrijf of niet. Elk jaar opnieuw. De directeuren worden nooit op hun falen afgerekend door de Raad van Commissarissen want die scharrelen hun geld op dezelfde wijze bij elkaar.

We zien het overal.

Zo is er heden ten dage voor de zoveelste keer weer eens crisis in het land en iedereen lult elkaar na dat er inderdaad streng moet worden bezuinigd. Maar waar hoor je nou eens dat beleggers en aandeelhouders uit zichzelf zeggen dat de winstverwachtingen voor het komende jaar best wel naar beneden mogen worden bijgesteld? Dat ze met een lagere winst of zelfs een verlies akkoord gaan, omdat ze begrijpen dat na de zeven vette jaren nu dan de zeven magere jaren zijn aangebroken.
Dat zijn de normale cycli (want eeuwenoud), maar de top en het kapitaal trekken zich daar niets meer van aan. Dan surfen ze liever door naar de bedrijven waar op dit moment nog wel 20% rendement gehaald wordt, op jacht naar de eeuwige manna, een spoor van ellende en rampspoed achter zich latend.

Waarom zou een simpele voetballer zich dan anders moeten gedragen dan een topbestuurder of een topbelegger?

Ik snap het best.

Maar ik zou het liever anders zien.

Ik heb liever voetballers die het anders doen. Die teleurgesteld omkijken naar het afgelopen dramatisch verlopen seizoen en erkennen dat ze het wellicht beter hadden kunnen doen.
Die niet met de vinger wijzen naar een ander maar de hand in eigen boezem steken.
Voor wie de eigen eer belangrijker is dan geld.
Die ons laten zien uit welk hout ze werkelijk gesneden zijn.
Die nog mannen zijn zoals wij hopen dat er altijd mannen zullen blijven bestaan.
Mannen van eer.
Mannen van staal.
Mannen die het misschien niet altijd goed doen, mannen die soms miskleunen, maar die er de volgende keer wel weer opnieuw met frisse moed tegenaan gaan, om het dan wel voor elkaar te boksen.
Mannen met hart en ziel.
Mannen die schijt hebben aan de top maar niet aan ons.
Nooit aan ons.
Mannen die geven in plaats van mannen die nemen.

Mannen in een oude, sleetse kampeerboerderij in Bakkeveen.



© Bill Mensema



zaterdag 21 juli 2012

Dag 5

Een uitslaapdag. We vertrokken pas om half tien voor het eerste bezoek, aan het Martiros Sarian House Museum. Gewijd aan een van de grootste, zo niet de grootste, kunstenaars van Armenië. Een poëtisch mens, een optimist, die ondanks de ellende van zijn volk (dankzij de ‘bevrijdingsdrang’ van Russen en Turken) veelal idyllische werken produceerde. Wat collega J. van de UK deed concluderen dat het opvallend was dat iemand als Vasili Vereschagin, die met de Russen meereisde om de zegetochten vast te leggen, de ellendige kant van oorlog vastlegde, terwijl Sarian, van de kant van de onderdrukten, een positieve visie op de toekomst, die eens weer zonnig zou zijn, in zijn werken toonde.
De vraag is of dat op korte termijn zou gebeuren. Armenië was een arm land. Er woonden drie miljoen mensen, waarvan het merendeel in de hoofdstad. Driekwart van het totaal aan Armeniërs verbleef elders op de wereld. De achtergeblevenen hadden het over het algemeen niet breed. Er werden pogingen gedaan het centrum van Yerevan een nieuw aanzien te geven, maar veel appartementen en kantoor- en winkelruimte stonden leeg. Het land had geen grondstoffen, landbouw en veeteelt was moeilijk en er zat geen olie in de grond. Het meest aansprekende exportproduct was cognac.
Het was een aangenaam verblijf, dat, het is geen verrassing, gepaard ging met een welkom in zijn voormalig atelier met koffie, fruit, koekjes en cognac. Een glaasje slechts, maar je zat evengoed om elf uur met elkaar aan de borrel. De oudere Sarian leek opvallend veel op de oudere Belcampo. Voor de Armeniërs is hij een volksheld. Belcampo voor Groningers ook.
Daarna ging het naar een kerkcomplex, ik weet niet meer waar, want ik had besloten die dag geen aantekeningen te maken in de veronderstelling dat je onthoudt dat wat echt van belang is, maar het was het religieuze centrum van Armenië, op een twintig minuten rijden van Yerevan. De dienst bleek om elf uur al begonnen, maar volgens de gids, Nora, konden we zo naar binnen stekkeren en inderdaad: Pap, mam, ik ben weer in de kerk geweest!
Het was er druk, maar, om met collega R. van RTV Noord te spreken: wat moet je anders op zondag? In het aanpalende monument ter herdenking van de Armeense genocide (dát hoef ik hoop ik niet uit te leggen), kregen we van een donkerharige schone een chocolaatje geoffreerd, omdat haar dochtertje gedoopt was en vervolgens waren we getuige van een hartverwarmend familietafereeltje, met blije opa’s en oma’s en zo. Misschien zouden we dat in Nederland ook meer moeten doen. Niet alleen van: ik wil me ontplooien en ik ben anders en ik een individualist en meer van dat gelul, maar de band met familie, vrienden en bekenden koesteren, zoals dat al sinds de mensheid bestaat wordt gedaan. Misschien worden we dan wat stabielere mensen die niet voortdurend achter volksmenners aanhobbelen.
Daarna was er stof tot discussie in de bus. Het merendeel van het journaille opteerde voor een bezoekje aan de markt. Om een volk te leren kennen moest je immers tussen het volk lopen en waar kon dat beter dan op de markt? Morgen zouden we terugvliegen. Dit was de laatste middag en je kon niet aankomen in Nederland zonder de gebruikelijke souvenirs: mutsen die niemand opzet, beeldjes waarvan je na twee weken denkt: wat moet ik ermee, autootjes die na twee rondjes door de kamer een wiel kwijt zijn en sieraden waarvan je vrouw een metaalkleurige uitslag krijgt.
De gids was het daar echter nog niet zo een-twee-drie mee eens. Haar collega in de kathedraal aan het Rode Plein had al gezegd dat je de geschiedenis moest kennen om de wereld te begrijpen en daar sprak zij een waar woord, maar er was een grens aan de hoeveelheid geschiedenis die je in vier dagen kon verstouwen. Onze Nora bleef aanhouden en stelde een tripje voor naar een in een grot uitgehouwen Hellenistisch klooster. Dat betekende een uur heen, een uur daar en een uur terug en dan zouden we de markt missen. Al polderend kwamen we tot de conclusie, via het vertrouwde vinger opsteken, dat het de markt werd. De gids probeerde het nog met een citytour, maar we hielden stand. Aan Josee toen de ondankbare taak om uit te leggen dat de democratie had gezegevierd.
De markt was zoals een markt altijd is. Een enorm aanbod aan producten, van deegrollers tot elektromotoren en van sieraden tot Sovjet-parafernalia en muziek. Opvallend was wel dat onderhandelen (we waren tenslotte Nederlanders) niet mogelijk bleek. Af en toe kreeg je er iets van af, maar het hield niet over en het was mijn eer te na om over een halve euro te redetwisten. Collega M. sprak daarin een wijs woord: van dat extraatje hebben zij meer plezier dan jij last hebt van die halve euro verlies.
Omdat we wonderwel geslaagd waren vonden we dat we een biertje verdiend hadden en een van de leukste dingen op reis is gewoon op een terras te gaan zitten en kijken. Een nadeel van bier is dat je er van moet plassen en de wc bleek dusdanig vies dat als de iPhone van collega M. in het toilet was gevallen ik dat ding er voor nog geen tweehonderd euro had uitgehaald.
Ook collega J. van de UK was geslaagd, met een cd van een van de beroemdste Armeniërs ter wereld: Charles Aznavour, de Frank Sinatra van Centraal-Azië
Des ’s avonds waren we te gast bij de directeur van de National Gallery of Armenië, tevens kunstenaar. Hij had een monografie over zichzelf laten publiceren. We mochten in alle kamers kijken en in alle kamers hing werk van hem. Veel werk. Ik had niet de technische bagage om te oordelen of die monografie een goed idee was, maar het eten bleek uitmuntend. Voor het eerst maakte ik mee dat om de haverklap geproost werd en de directeur had ontdekt dat ik wodka lustte. Ik vond dat ik dat niet kon weigeren. Dat zou echt onbeleefd zijn, dus voor dat ik het wist had ik er zes achter de kiezen. Dat leidde tot opgetrokken wenkbrauwen, maar collega T. van de Telegraaf had mij door: ah man, hij is gewoon alcoholist. En dan komt het moment dat jou wordt gevraagd iets te zeggen ter toost. Ik heb iets geroepen van ‘Op de Armeense Kunst! Op de Armeense Bevolking!’
Inderdaad, niet heel origineel, maar het kon de goedkeuring van onze gastheer en zijn vrouwen verdragen. Als hij naar Nederland zou komen, kreeg hij van mij een fles jenever. Van Hooghoudt natuurlijk. Uut Grunnen. Dat zei ik in het Engels en hoewel hij dat niet beheerste begon de man mij spontaan te zoenen. Ik stelde aan Josee voor hem dan aan de Groningse volkszanger en verhalenverteller Henk Scholte te koppelen. Het kon niet anders: dat werden bloedbroeders.
Ondertussen had collega J. van de UK vriendschap gesloten met Christine, een juriste, of studente rechten, die, voor zover wij begrepen, de muze van die directeur was. Ze konden het zo goed met elkaar vinden dat J. een kunstwerk van Christine, die uiteraard ook schilderde, cadeau kreeg. Na de koffie gingen de vrouwen, de onderdirecteur en de conservator van de National Gallery of Armenia voor ons zingen. Dat was mooi, echt prachtig, totdat ze op ons, de mannen, wezen: en nu jullie.
Tja, daar zaten we.
Wij nog zeggen dat we geen land waren met een zangtraditie, maar uiteindelijk nam collega R. manmoedig het voortouw. Een unieke ervaring. Laten we het zo zeggen: als iemand mij van tevoren had gezegd dat ik op een mooie dag, ergens in een huis in Yerevan, de hoofdstad van Armenië, het Gronings volkslied ten gehore zou moeten brengen, dan was ik nooit aan deze hele trip begonnen.

vrijdag 20 juli 2012

Go all the way

Eddie V. is blijkens het schrijven van zwarte man Fousert meer dan enkel een zanger van een bovengemiddeld bandje.



Die ene zin van Zwarte Man Sandman klink nog regelmatig na bij ons thuis: waarom kan Eddie Vedder alles en ik niks. Mijn vrouw vervangt het ik in dat juweeltje van zelfspot echter net iets te makkelijk door jij. Al heeft ze gelijk: ik kan er steeds minder om lachen.

Mijn vrouw heeft een zwak voor de heer E. Vedder, zanger. Wij hebben iets afgesproken over Eddie zoals zij hem noemt. Of eigenlijk, zij heeft mij een afspraak opgedrongen aangaande de heer Vedder.  Wat die regeling precies inhoudt mag u zelf invullen. Tip: het heeft iets van doen met trouw en dat zij daar dan zonder straf of maatregel mijnerzijds een uitzondering op mag maken, betreffende die meneer, Eddie Vedder.

Sinds kort heeft die Eddie het helemaal bij mij verbruid. Ik heb ontdekt dat meneer fan is. Van een sportclub. Niet de onze maar een uit Chicago. De Chicago Cubs. Ze spelen honkbal. En best aardig ook geloof ik, al is het zeker niet het Barcelona van het honkbal. Nu heeft onze Ed een lied geschreven voor zijn club en laat dat lied nu – hoe kan het ook anders, de uitslover – al in het eerste couplet precies zeggen wat je in een lied voor je club wil zeggen. Weer een lied wat ik zou hebben willen (kunnen) schrijven maar niet geschreven heb. Dank je beleefd Vedder.

De Eddie clausule die mijn vrouw zo handig in onze relatie heeft weten te weven heeft een wederkerig karakter. Dat dan weer wel. Maar waar vind je een vrouw die, naarmate ze ouder wordt, steeds maar aantrekkelijker wordt. Die kan zingen, van rode wijn houdt en rijk geworden is door het maken van prachtige platen en het geven van bijzondere optredens? Een vrouw die, en dat is misschien wel het belangrijkste, het definitieve lied voor SC Veendam kan schrijven? Ik denk dat ik maar stop met zoeken.

Maar als mijn vrouw en ik ooit Chicago bezoeken denk ik dat ik uit de buurt van het stadion van de Cubs blijf, je weet nooit wie je tegen het lijf loopt.

donderdag 19 juli 2012

Een eekhoorntje in het gras

Zwarte man Sandman's verslag van een bezoek bij één van de grootste dichters van het land. (I.M. Rutger Kopland (1934-2012).

(foto: Jean Paul Yska)


Ik was te vroeg. Dat heb ik vaker. Bij een afspraak hou ik rekening met rampen en rellen, stoplichten op rood, open bruggen. Maar als er onderweg niks gebeurt, ben je te vroeg. Rutger Kopland deed verstoord open, was bezig zijn broek dicht te maken en mompelde iets van ‘we zijn zo klaar’.
Dat was nieuw. Meestal hoor je ‘geeft niets, kom vast binnen’, maar ik kon weer naar de auto. Aanleiding voor het vraaggesprek was zijn nieuwe en naar later zou blijken laatste bundel: Toen ik dit zag.
Ondanks de wat ongebruikelijke start was het een prettig gesprek. Hij oogde zoals altijd kwetsbaar. Ik had gehoord dat dat in werkelijkheid wel meeviel, maar oog in oog met hem kon ik me niet voorstellen dat hij een zin als ‘Wat is mij godverdomme overkomen?’ zou kunnen uitspreken. Maar dat kon hij wel.
Tijdens het interview keek ik vanuit mijn ooghoeken hoe het echtpaar Van den Hoofdakker woonde. Het was typisch een huis van oudere mensen. Overal boeken en spulletjes, een beetje rommelig, maar knus. Een beetje zoals in een sprookje. Zo had ik best willen wonen.
We gingen naar zijn werkkamer. Daar lagen de drukproeven van de nieuwe bundel. Terwijl de dichter zocht keek ik uit het raam. Want dit was niet zomaar een uitzicht. Dit was wat Rutger Kopland veertig jaar lang zag bij het schrijven. Dit uitzicht was mede verantwoordelijk voor veertien bundels en literaire onderscheidingen, waaronder de PC Hooft-prijs. Dat uitzicht, daar zat bijna copyright op.
Zo’n uitzicht had ik niet. Als ik thuis naar buiten keek, zag ik voorbijrazende tractoren.
Hij zag alleen maar groen, een grasveldje en daaromheen natuur. Het enige dat zou kunnen storen was het geluid van een trein in de verte. Maar een trein in de verte roept poëtische gedachten op, een langsjakkerende trekker niet.
Terwijl de dichter verder zocht, zag ik een eekhoorntje door het gras huppelen. Ja hoor, dacht ik, wrijf het er maar in.


Herman Sandman