vrijdag 18 mei 2012

The White Stripes (1)


Dat de zwarte mannen een morfogenetisch veld vormen is vanaf heden bewezen. Zonder onderling contact speelt Jack White de laatste dagen in de hoofden van een aantal zwarte mannen letterlijk en figuurlijk een grote rol. Was het gisteren zwarte man Fousert die gevoed door de witte man een stukje schreef. Vandaag en overmorgen doet Black Bill verslag van zijn ervaring met Jack White.


Het was in de Adelaide Hills – ten oosten van Adelaide, in Zuid-Australië – dat ik voor het eerst de muziek hoorde van The White Stripes, het bluesrock duo rond wonderkind en gitaargeweldenaar Jack White. Ik hoorde het gewoon op de autoradio, hoor. Het was niet zo dat The White Stripes ergens in de Adelaide Hills op een podium aan het spelen waren.
Daar zijn de Hills niet het gebied voor. Er wordt daar namelijk fruit geteeld. Grotendeels appels en citrusvruchten. Zo nu en dan kom je een aardbeienveld tegen in de Hills. Bij de boer haal je een emmer op en dan pluk je voor een luttel bedrag zoveel aardbeien als je wilt. Zelf heb ik nooit goed begrepen wat de erotische fascinatie van vrouwen met fruit is, maar ik weet wel dat wanneer ik met een emmer over zo’n veld kruip, ik continu gekreun van de dames om me heen hoor. Is het omdat rechtstreeks uit de grond getrokken aardbeien zo verrekte heerlijk zijn? Of is het omdat ik zo’n lekker dier ben? Ik hou het op het laatste, maar ik vermoed het eerste.
Fruit is niet duur in de Adelaide Hills. Een vijfkilo zak vol Fuji appels – in Nederland schier onbetaalbaar – schaf je daar voor anderhalf euro aan. Ze zijn ook nog eens zo vers van de boom, en zo vol smaak, dat je al een halve zak opgegeten hebt voordat je kunt zeggen:

-       Wat de fuck was dat?

Waarop het antwoord dan luidt:

-       Fuji appels!

Dat had ik dus niet met de muziek van The White Stripes. Ik vond er eerlijk gezegd geen reet aan. Het klonk mij allemaal te kaal in de oren, alleen maar die hortende drums, die bluesachtige gitaar en die vervormde stem. Noem mij een fijnproever, maar ik meende daar in de Adelaide Hills heel goed zonder The White Stripes in mijn leven te kunnen bestaan.
Ik propte nog eens een Fuji appel in mijn mond en reed door naar Piccalilly om daar een enorme zak vol paardenstront voor mijn tante te kopen. Sommige mensen nemen soesjes en bloemen mee, maar een echte kerel zoals ik komt liever met een zak vol paardenvijgen bij zijn tante.

Het was het jaar 2001.

Terug in Nederland waren we nog maar net bekomen van de dramatische aanslag van 11 september op The Twin Towers, of The White Stripes traden op in het alternatieve muziekcentrum Vera in de Oosterstraat in Groningen. Han – die meer moeite heeft met oud worden dan ik en graag de vinger aan de pols houdt van wat hip is, om zo de onverbiddelijke teloorgang nog enigszins tegen te houden – vroeg of ik meeging naar het concert.

-       Hrumpf, antwoordde ik.
-       Wat zeg je?

Ik werkte de laatste resten van de bij de C1000 gekochte Fuji appel weg. De appel was wel knapperig en zoetzuur van smaak, maar het kwam bij lange na niet in de buurt van het orgastisch genoegen zoals ik het in de Adelaide Hills aan Fuji appels beleef.
Vera was uitverkocht die avond en het was er stampvol. Han en ik bleven helemaal achterin de zaal en konden van wat er live op het podium gebeurde absoluut niets zien. We konden het natuurlijk wel horen. Han vond het goed. En ik vond er nog steeds geen reet aan.
Noem mij een fijnproever. Of noem mij een fijnproever op leeftijd. Ik vind het best. Maar The White Stripes zijn nu eenmaal geen Deep Purple, ze zijn geen Pink Floyd, ze zijn geen Iggy Pop & The Stooges, ze zijn geen Replacements, ze zijn geen Hüsker Dü, ze zijn geen Echo & The Bunnymen, ze zijn geen Led Zeppelin. Niets van dat al. Ik hoorde er gewoon niets in, behalve kale, tot op het klokhuis afgekloven bluesrock, waar ik sowieso niet echt een uitgesproken fan van ben.

-       Vond je het wat? vroeg Han nadien.
-       Nee, zei ik.

Op dat moment liep de twee muzikanten van The White Stripes ons op amper een meter afstand voorbij, op weg naar de kleedkamer. Beide White Stripes in wit en rood gekleed. Gitarist Jack met zijn fijngesneden gezicht, drumster Meg met haar melancholische blik. Wist ik veel dat het een historisch moment was. Het enige waar ik naar staarde waren de ronde, volle borsten van Meg. Rond en vol als… Pront waren ze ook. Rond, vol en pront als… Mooie borsten waren het. Mooi, rond, vol en pront als…

-       Wil je nog een biertje? vroeg Han.
-       Ik blief wel een appel, zei ik.

(Wordt vervolgd)

donderdag 17 mei 2012

Donderbus


Hemelvaart. Tijd voor introspectie. Zwarte man Fousert is een fan. Terecht. Na intensieve beluistering van Jack White 's laatste muzikale project wordt hij bevangen door een gevoel. Luister en lees.


Hij kwam al langs bij de luistertips van zwarte man Sandman: de nieuwe plaat van Jack White. Blunderbuss. Lekker woord, Blunderbuss, Blunderbuss, Blunderbuss. Probeer maar eens hardop.

Na drie keer Blunderbuss bekroop mij het gevoel dat achteraf bezien de geuzennaam Kolonisten niet zo heel erg gelukkig is. Bij Kolonisten denk ik het eerst aan die van Catan. Google trouwens ook.

Blunderbuss daarentegen is de letterlijke vertaling van en etymologisch ontsproten aan het Nederlandse woord donderbus. Een vuurwapen uit de 16e eeuw. Het ding moest uit de heup moest worden afschoten omdat de terugslag je schouder verbrijzelt. Je kon er een groep struikrovers (ook een mooi woord trouwens, struikrovers) mee uitschakelen. Voorwaar niet voor watjes zo`n donderpijp.

Het had zo mooi kunnen zijn. De Donderbussen als Veenkoloniaal equivalent van The Gunners. Mooi logo ook. Met een spreidloopgeweer heb je geen kruiwagen nodig.

dinsdag 15 mei 2012

Kluitjesvoetbal


Kunnen de zwarte mannen zelf ook voetballen? Zwarte man Hadders laat zijn licht schijnen.

De verhalen die onderling uitgewisseld worden gaan voornamelijk over de derde helft en wat voor heroïsche records daarin behaald zijn.

Ik geloof niet dat er ook maar iemand van ons nog wel eens de voet op een grasmat zet.
Hoogstens om de scheids die ons nageslacht benadeelt wat manieren bij te brengen.

Laat ik er eerlijk over zijn: zelf kan ik er niets van.

Als kind beoefende ik graag de gedomesticeerde variant van baseball: het slagballen.
Iemand gooide een bal. Je deed er een slag naar en meestal kon je dan weer onverrichter zake naar de bank terugsjokken om daar lekker verder te dromen.
Helaas werd deze sport alleen op school beoefend.

Voor georganiseerd sportvermaak waren wij op het voetbal aangewezen.
Zo rond negentienzeventig was ook in de laagste regionen van het amateurvoetbal het Totaalvoetbal in zwang gekomen.

Tot die tijd was het, zeker bij de F-jes, gebruikelijk om zo hard mogelijk met z'n allen achter de bal aan te rennen. Het zogenaamde Kluitjesvoetbal. Een minstens zo vermakelijke speelwijze.
Wie de bal voorop de schoen kreeg, de zgn. Punter, wilde nog wel eens, geheel bij toeval, scoren.

Nadat drilsergeant Michels en die vervelende Cruijff het voor het zeggen kregen in de voetballerij kregen kneuzen als ondergetekende het in de pauze van de wedstrijd zwaar te verduren.
'Voetbal is oorlog', riep dan de vroeger zo aardige trainer-coach.
Ook moest er systeem in komen, vond hij.
Voor mij was de aardigheid er af.

Ik was een echte schoefieloerder. Iemand die altijd op de rand van buitenspel stond.
Niet omdat ik mij daar bewust van was maar omdat het spel zich zo snel heen en weer bewoog dat ik nog bij het doel van de tegenstander stond als de rest alweer aan de andere kant van het veld was.

De oorzaak daarvan was een lui oog met uitzaaiingen in de rest van het lichaam.
Gecombineerd met een dromerige aard is dat desastreus gebleken voor een professionele voetbalcarrière.

Toch jammer..

maandag 14 mei 2012

Zondagmiddag, half drie

Nu de club er weer drie jaar tegenaan kan heeft zwarte man Sandman een wens. Een kinderwens!



Ik wil ooit met mijn zoons naar het voetballen. Naar SC Veendam. Zoals generaties jongetjes hun voorgingen, zo wil ik hun de liefde voor een club bijbrengen. Dat kan nu echter niet. Omdat er op vrijdagavond gevoetbald wordt. Om acht uur. Dat is te laat. Ik heb Hunter, mijn oudste zoon, een keer meegenomen. De eerste nacompetitiewedstrijd tegen Helmond Sport, seizoen 2010-2011. Ik kocht een pet, een sjaal, een zak snoep en wij juichten samen. Mooie wedstrijd. Hij vond het geweldig. De volgende dag moest hij thuisblijven van school. Bekaf. Zijn moeder vroeg of ik gek geworden was.

Het onzalige tijdstip van vrijdagavond acht uur, is uit de koker van de commercie gekomen. Het zal ongetwijfeld veel geld uit de tv-reclame opbrengen, maar de rekening komt bij elke club dubbel en dwars terug, omdat er geen trouwe aanhang meer gekweekt wordt. Elke man is ooit kind geweest. Clubliefde, dat krijg je door eens in de twee weken op zondagmiddag naar het voetballen te gaan. Eerst achter op de brommer bij pa, later met vrienden op de jongenstribune. Jaar in, jaar uit. Tom Egberts deed het bij Heracles, Hugo Borst bij Sparta, Robbie Williams bij Port Vale en Elton John bij Watford. De liefde wordt onvoorwaardelijk, in voor- en tegenspoed, weer of geen weer
.Op vrijdagavond kan dat niet, dat is te laat. Niet alleen voor kinderen, ook voor mannen. Op vrijdagavond plof je op de bank, uitgeput van de werkweek. Dan wil je maar een ding: een biertje, de krant en Midsomer Murders op de tv. Dan heb je geen zin meer in de gang naar een koud stadion, hoe romantisch ook de aanblik van de majestueuze lichtmasten, hoog uittorend boven de volkswijken van de Parkstad. Op zaterdagavond kan ook niet, dan moeten we bij familie op visite. Of de familie komt bij ons. Ook dan zijn er thrillers op de tv. Ik noem een Dalziel & Pascoe, ik noem een Wallander, ik noem een Varg Veum.

Zondagmiddag, half drie.

zondag 13 mei 2012

Voice-over


Zwarte man Van der Veen wil graag kond doen van éen van de betere series van de laatste jaren. Over de combi humor en zwart. De komende veertien dagen op het 3e net rond de klok van elf. O ja, onze 'cultclub' heeft een oefenpotje tegen Emmen gisteren met 3-1 gewonnen.




Ten tijde van Quentin Tarantino’s opkomst en het ontstaan van de Nouvelle Violence werd er hevig gediscussieerd over het wel of niet kunnen van zoveel geweld in de film.

Toen in 1993 de film 'Henry: Portrait of a Serial Killer' in ons land op het witte doek vertoond mocht worden kreeg ik bij het zien zowaar enige sympathie voor de seriemoordenaar. Gelukkig bleek Henry’s gedrag aan het einde van de film dusdanig amoreel en verwerpelijk dat ik de bioscoop met een gerust hart en schoon geweten kon verlaten. 'Serial Killer' zijn is gewoon niet o.k. ‘Plug in Otis' is trouwens nog steeds een tussen mij en zwarte man Blaakmeer gebruikte quote uit de film. Wij waren er samen bij toen één van de weinige nachtelijke voorstellingen met redelijk duister publiek plaatsvond in het Camera theater aan het Hereplein in Groningen.

Bloedspatten op tv zijn heden ten dage vaak niet meer te tellen. Vanaf vanavond zit ik elke avond rond een uur of elf gekluisterd voor de buis te kijken naar Dexter. Werkzaam als bloedexpert bij moordzaken in Miami heeft onze Dexter een geheim en een probleem. Door een getroebleerde jeugd slaat hij namelijk zelf ook aan het moorden. Niet in het wilde weg, maar volgens eigen strenge regels. Een serie over een seriemoordenaar die andere seriemoordenaars en slechterikken uit de weg ruimt.

Was het bij serie 1 & 2 nog zo dat je per aflevering een week de tijd had om bij te komen. De VPRO zendt nu elke avond een aflevering uit van de serie. Je hebt bijkans een zuurstofmasker nodig om het allemaal bij te kunnen houden.

Wat je ziet is op de keper beschouwd redelijk abject, maar sympathie voor Dexter wordt per aflevering opgebouwd. De vraag hoe Dexter zich nu weer uit tamelijk bizarre en hachelijke situaties gaat redden spookt na elke aflevering door mijn hoofd. Zijn vreemde gedrag wordt mede door de onweerstaanbare voice-over monologen volstrekt logisch.

'Let's just say i'm not exactly the boy next door'. Dexter Morgan heeft het gelukkig zelf door.

Vanavond om elf uur gaan we verder met Dexter roept de televisie. Ik kan niet wachten.

Geen discussie.

vrijdag 11 mei 2012

Tussenstand

'Ook Zwarte Mannen zullen eens Oude Mannen worden.' Met deze zin begint zwarte man Bill zijn schrijven getiteld 'Tussenstand'. Onze zwarte man staat stil bij de eindigheid van het bestaan. Tsja, het leven is niet meer dan een lichtflits tussen twee zwarte einden. Daartussen bevindt zich 'De Langeleegte'.



Ook Zwarte Mannen zullen eens Oude Mannen worden. Mits ze mazzel hebben, natuurlijk. Ze zullen hoe dan ook ooit Dode Mannen worden. Het is een van de vele misselijke streken van het leven. Je leidt het, en soms lijd je eraan, en als stank voor dank word je oud, en dan ga je uiteindelijk ook nog eens dood. Het is een gotspe, maar we hebben het ermee te doen.
Ooit zullen we krom lopen en krimpen. We zullen van die groteske oorlellen krijgen die tot de schouders hangen, zoals het lange haar in onze jeugd, ooit, zo lang geleden. Nou hebben we nog een neus, maar dan hebben we een gok. En diepe rimpels, waarin we de munten voor het parkeergeld kunnen bewaren. En misschien worden we zelfs vergeetachtig en herinneren we ons niet eens meer dat we ooit als wilden stonden te juichen voor helden als Mitch en Jonathan van SC Veendam.

Maar zover is het nog lang niet. Nu zijn we nog steeds bij de tussenstand en dat is sowieso de beste plek om te vertoeven. De eerste helft is gestreden en we staan met 1-0 voor. We kunnen terugkijken op een mooie strijd en een terecht zeer verdiende voorsprong.
Desalniettemin zal de tegenstander zich niet zomaar gewonnen zal geven. Die zal er in de tweede helft alles aan doen om op gelijke hoogte te komen. Op zijn minst moeten we onze voorsprong zien te bestendigen, bij voorkeur met een extra goal erbij. Dat wordt – laten we eerlijk zijn – nog een enorme opgave.

Maar nu is het nog de tussenstand. We kijken tevreden om, hoe mooi die eerste 45 minuten verliepen, hoe alles perfect onder controle was, en als kroon op het werk dat schitterende doelpunt van onze Jonathan.
Tegelijkertijd vrezen we het verdere verloop van de wedstrijd. Zal het onze jongens lukken de anderen direct al in de eerste minuten van de tweede helft de definitieve nekslag toe te dienen of krijgen de anderen juist vleugels en wordt het voor ons tot diep in de 94e speelminuut billen knijpen?

Eigenlijk doet het er niet toe of de anderen ons straks nog zullen verschalken. Ook aan de man met de zeis valt uiteindelijk niet te ontkomen. Maar dat zal pas blijken aan het einde van de wedstrijd. Zo ver is het nog niet. Nu is het nog de tussenstand. En we kunnen tevreden zijn, want wij staan voor.

Laten we het vieren met een braadworst, die we bij dat mooie meisje van de snackbar kunnen kopen.

© Bill Mensema

woensdag 9 mei 2012

Don Leo

Kiel-Windeweer en SC Veendam. Een eerste poging tot duiding door zwarte man Van der Veen.



Tussen Hoogezand en Bareveld heeft de wind vrij spel. Weggekeild op de vlakte ligt hier en daar een boerderij. Soms klonteren ze samen langs een kanaal. Een dorp. Rond de kerk het vermoeden van een centrum. Het is maandagavond in Kiel-Windeweer. Een man staat met gekromde rug te bellen en rookt onderwijl een sigaartje. Leo Beenhakker? Ja het is Don Leo. 

Leo Beenhakker een hele avond in je directe omgeving, dat biedt kansen. Zal ik het vragen? Het WK van 1990, wat was daar loos? Daar staat de man die het weet. Kromme rug, sigaartje. Zwarte man van der Veen aarzelt en ziet zich ondertussen weer zitten, aan de Zwarteweg in Groningen, onder de vlag van het illustere gezelschap TAO (Theologen Achter Oranje). Op de buis de wedstrijd tegen de Egyptenaren. Na afloop ballen de theologen op het trapveldje naast het spoor, bier binnen handbereik. Zwarte man van de Veen rukt zich los uit het verleden. Hij spreekt met een legende. Zal ik het vragen?

Leo was tijdens het WK in Italie de bondscoach. Hoe hij het precies is geworden weet ik niet meer, maar het zal vast met Cruyff te maken hebben gehad. Zoals bijna alles inzake het Nederlandse voetbal met Cruyff te maken heeft. Feit blijft dat op papier éen van de beste selecties van het Nederlands Elftal in Milaan tegen den Pruis het onderspit moest delven.

Een Nederlandse fluim in een Duitse krullenbol. Dat is het beeld van dat WK.

Don Leo moest leiding geven aan een Gullit en Koeman. Nu staat hij bij de ingang van kerkje in het veenkoloniale Kiel-Windeweer en moet genodigden enthousiasmeren om geld te geven voor de SC Veendam. De club waar hij ooit begon als trainer. De club waarvan hij vindt dat hij moet blijven bestaan en niet louter uit sentimentele motieven. Hij heeft gewoond aan de Schoolstraat in de Parkstad. Wonen in de plaats waar je werkt is volgens hem van belang om als trainer goed te functioneren. Nou is Madrid exotischer dan Muntendam. Neemt niet weg dat Leo zijn beste beentje voorzette. 

Vragen stellen over 1990. Ik moest het maar niet doen.

Veendam is gered.

Een rokende man aan de achterkant van de Amshof in Kiel-Windeweer. Dat is voor mij het beeld van deze avond.