Posts tonen met het label Veendam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Veendam. Alle posts tonen

woensdag 15 januari 2014

Suikerman

Dispuut daar houden wij van. Waren we afgelopen vrijdag nog bij het CDA in de Veenkolonies. Sybrand Buma ontpopte zich in de AE Kerk van Veendam als een ware zwarte man door te stellen dat krimpgebieden als Oost-Groningen vaak van een ongekende schoonheid zijn. Om  deze treurigheid was het hem te doen. Daar moet je ook wat mee doen!

Het was goed om van dichtbij te zien dat de leider van het Democratisch Appel bescheiden aanwezig was en zich niet manifesteerde als een 'wethouder Hekking' door mee te huilen met het verdriet van Groningen.

Maar goed! Eurosonic Noorderslag staat voor de deur. Muziek daar moet het over gaan deze week. De opmerking is flauw, maar Groningen is de komende dagen het epicentrum van de Europese muziek. De Volkskrant kopte of Groningen niet te klein wordt voor zo'n groot festival. Groninger grootheid schuilt juist in het feit dat we door onze omvang en minder centrale ligging juist in staat zijn een muzikaal fenomeen als Eurosonic Noorderslag uit de grond te stampen. Laten we ons daar aan vasthouden.

Zwarte man Sandman heeft als wereldburger oog voor muzikale gebeurtenissen en ontwikkelingen die plaats hebben gevonden buiten het Europese. Zijn stelling is dat we Bob Dylan kunnen vergeten. Lees ik het goed! Robert Zimmerman vergeten. Een aantal zwarte mannen zijn het hier zeker niet met eens. Moet kunnen. We zijn ook geen politieke partij, die uit één mond moet praten. Zoals gezegd. Dispuut daar houden wij van.


'How’s that grab ye Bob'

Vergeet Bob Dylan. Fake shit. Ondanks het aura van authenticiteit, eigenzinnigheid en zogenaamde afschuw van elke vorm van verering acteert His Royal Bobness als een golddigger, in vergelijking met de suikerman, oftewel Sixto Rodríguez (1942). Als er iemand is die weet waar ie het over heeft in zijn songs, dan is dat deze man, zo blijkt uit de documentaire ‘Searching for Sugarman’, die ik onlangs voor nog geen zeven euro op de kop tikte.
Er is een rauwheid in zijn stem waar Dylan slechts van kan dromen. Daarbij: zijn karakter, zijn niet gespeelde nederigheid en de ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’-mentaliteit (die wij Veenkolonialen, grootgebracht met slaag en regen, zo goed kennen) reduceert iedere poging van elke andere muzikant om als stem van het volk te opereren tot een lachertje.
Zijn verhaal is een sprookje op zich. De man werkt als een soort sloper, haalt verlaten huizen leeg, zoiets en maakt tussen de bedrijven door muziek. Niet heel succesvol. Rodríguez produceerde twee albums, Cold Fact (1970) en Coming from Reality (1971). Hij treedt nu en dan op, voor anderhalve man en een paardekop en lijkt veroordeeld tot een bestaan in de marge. Minder dan dat, want zijn muzikale carrière strandt, aan de kant gezet door Sussex Records.
Echter… wat Rodríguez niet weetiemand nam op een goede dag een cassettebandje met zijn muziek mee naar het Zuid-Afrika van de apartheid. Het bandje werd gekopieerd, nog eens, nog eens en hij werd de stem van de onderdrukten. Een beroemdheid, een held, een legende. Maar even onwetend over zijn groeiende faam in een ander werelddeel, was dat ander werelddeel onwetend over Rodríguez. Niemand kende hem, wist waar hij woonde en zelfs of hij leefde. De wildste geruchten deden over hem de ronde.
Hij zou zelfmoord hebben gepleegd. Op het podium nog wel, tijdens weer een optreden waar geen hond op af kwam en dat zo slecht was dat hij geen andere uitweg zag dan voor de ogen van het weinige publiek de hand aan zichzelf te slaan. Door zichzelf in brand te steken, nee, door zichzelf een kogel door de kop te jagen.
Een intrigerend verhaal en journalisten uit Zuid-Afrika gingen op zoek naar de man achter de muziekNadat alle pogingen vastliepen, deden ze op een site kond van hun zoektocht, met een oproep. Mochten er mensen iets over hem weten, please. Dat werd gelezen door een dochter van Sixto, met als gevolg dat de journalisten de doodgewaande man himself aan de lijn kregen. Die was helemaal niet dood, wist niks van zijn zelfmoord en keek op toen ze hem vertelden dat ie een beroemdheid was.
Zuid-Afrika stond op de kop bij dit verhaal, helemaal omdat er een toernee wordt gepland. Uitverkochte zalen, tot zes keer aan toe en de man wordt gefeteerd op een manier die hij in zijn stoutste dromen niet heeft kunnen vermoeden. Nieuwe optredens volgen en de Zweedse regisseur Malik Bendjelloul bracht in 2012 de documentaire Searching for Sugar Man (2012) uit, in februari vorig jaar onderscheiden met een Oscar voorbeste documentaire.
Alle reden voor Rodríguez, zou je denken, om zich nu wel op de borst te kloppen, maar neen. Hij bleef de innemende, bescheiden man, die zijn werk bleef doen en bijna verlegen is onder de nieuwe status. De manweigert zelfs zo hardnekkig voor zichzelf op te komen, dat alle platenmaatschappijen die zwaar aan hem verdiend hebben er mee weg komen. Van alle revenuen en daar verbaast Bendjelloul zich ook over, heeft ie nooit een cent gezien. Nog steeds niet.
Om met Johnny Cash te spreken: ‘How’s that grab ye Bob?’

Herman Sandman.

vrijdag 22 november 2013

Blokken (2)

Het schijnt dat naar verluidt de Wethouder van Gemeentebelangen in Veendam een grote vangst heeft gedaan. Er wordt in de Parkstad gesproken over het binnenhalen van een projectontwikkelaar die een nieuw winkelcentrum wil realiseren aan de N33. Onder andere de Franse sportgigant Decathlon is van zins zijn vleugels uit te slaan in de Veenkolonies. Er komt ook een bioscoop met vier zalen en er moet een brug naar het centrum van Veendam komen opdat de consument dit niet links laat liggen.

Sport en N33 roept in herinnering het 'filmische' beeld van nieuw stadion voor de SC Veendam in de vorm van een banaan.

De zwarte mannen moesten ook even denken aan het pact van Kiel Windeweer, Kerkstraat westzijde en projectontwikkelaars.

Geen cynisch gezeur. Zoals eerder gezegd. We moeten vooruit. Met de kop d'r veur. In het zweet des ...... Mensema voor de tweede keer.


Eind jaren zeventig was De Kar in de Peperstraat in het uitgaanscentrum van Groningen een andere discotheek dan je normaal onder zo’n noemer zou verwachten.

Maar wat was eigenlijk normaal? Het helse stroomlijnen van alles en nog wat tot een gruwelijke eenheidsworst – met voorwaarden, voorschriften, certificaten, auditeringen en EU regelgeving, met credo’s als ‘Meten is weten’ en louter economische principes om het leven mee in te richten – was destijds nog niet aan de orde. Je kon nog gewoon zijn wat je wilde zijn.

Waar ik vandaan kwam hadden we een discotheek met een de hele tijd in primaire kleuren oplichtende lichtbak als dansvloer. Henri kwam uit Denekamp in Twente waar men in de discotheek een meter bier bestelde. Dat was een houten lat met gaten erin waarin acht of tien pilsjes konden worden geplaatst.

In zijn geboortestad Eindhoven kwam Aart ’s avonds vrijwel nooit de deur uit. Toen hij eenmaal was gaan studeren in Groningen, maakte Aart dat gemis in zijn opvoeding meer dan goed.

Op woensdagavond gingen we gewoonlijk naar Simplon. Er waren avonden dat daar verdomd veel homo’s waren. Die probeerden elkaar destijds – zo eind jaren zeventig – op een best wel lieve manier te verleiden. Op zulke avonden waren er echter weinig meisjes aanwezig om heimelijk naar te smachten. In plaats daarvan gingen we dan maar blowen en raakten we stoned. Dat was maar goed ook, want de muziek die er gespeeld werd was knap waardeloos.

Henk – die niet bij ons op de studentenflat woonde maar bij een van die homo’s in de Oranjebuurt een kamer had – blowde het meest van ons allemaal. Hij ging dan ook geregeld out. Wat er steevast op neerkwam dat Henk al halverwege de avond ergens in Simplon in een hoekje op de grond lag te slapen.

Dan had hij voor de rest van de week wel weer zijn bekomst gehad. Henk blowde nooit als we op vrijdagavond de Swingavond in Vera bezochten. Ook daar rook je vaak de geur van hasj om je heen, maar wij deinden dan mee in de massa. De muziek in Vera was aanzienlijk beter dan in Simplon, maar hier was het vooral het wat oudere werk dat het meest populair was onder de bezoekers.

‘Can, can’ van The Pointer Sisters.

‘Crosstown traffic’ van the Jimi Hendrix Experience.

‘The sun’ van Bo Hansson.

Het waren nummers die nogal lang duren – gauw een kwartier per nummer – waar vooral de wat oudere jongeren enorm van uit hun dak gingen.

Soms dansten we mee. In de volle, zweterige zaal raakten we dan erg dorstig. Dan liepen we langs de tafels aan de zijkant van de dansvloer, waarop anderen hun pilsjes hadden neergezet om even vrijuit te kunnen dansen. Van elk glas namen we een slok en zo liepen we verder.

Zo raakten we aangeschoten.

Er was ook ergens een discotheek in de stad waar de dansvloer precies boven de ingang was.

Er was er eentje waar alleen maar verpleegsters kwamen. Daar hoorden we verhalen over van een oudere vriend van Henri. Die verpleegsters schenen erg gemakkelijk te zijn. Die kon je volgens die vriend van Henri zo het bed in lullen. We zijn er nooit geweest. Wij wisten al vrij vlot van onszelf dat we alle vier – Aart, Henk, Henri en ik – in tegenstelling tot de verpleegsters nogal moeilijke jongens waren.

Maar op zondagavond – na een lange dag blokken voor het tentamen, met veel teveel koffie als brandstof – was er één plek waar we met alle plezier naartoe gingen, waar we de adrenaline die zich gedurende de dag in onze lijven had samengebald weer los konden laten.

Dan gingen we naar de Kar, halverwege de Peperstraat, tussen de twee frietmuren in. Een discotheek die eigenlijk geen discotheek was en tegelijkertijd de beste danstent in de stad.

© Bill Mensema



zaterdag 5 oktober 2013

Veendam


Elk nadeel heeft z'n voordeel, of was het andersom. De zwarte mannen presenteren met trots een nieuwe schrijfert. José Cutileiro is zijn naam. Klinkt exotisch, maar geeft in het doopceel hieronder blijk van een veenkoloniaal zwart hart. We willen nu al meer. 


Mijn affiniteit met de Veenkoloniën is ietwat in ruste, maar aan het eind van de jaren zeventig kwam ik er vaak toen ik verkering had met Jet. Zij kwam oorspronkelijk uit Veendam en haar ouders woonden daar (haar moeder woont er trouwens nog steeds). We gingen er met de bus heen, vertrokken vanaf het Damsterdiep uit Groningen en reden dan langs Hoogezand en Kiel-Windeweer via de Langeleegte het centrum binnen. Ik heb menig weekend aan de Hertenkamp doorgebracht.

Veendam was een van de eerste middelgrote provinciesteden die een semi-overdekte winkelpromenade opende. Potsierlijk lelijk was die. De bouwelementen die ze daarvoor hadden gebruikt doopten we al gauw ‘de beha’s’, ze zullen inmiddels zijn vervangen door andere cups.

Enige jaren later ben ik er nog eens geweest met sportjournalist Jos. Die had veel aangepapt met de jonge voetballer Ronald Koeman in diens Groningse tijd. Ze gingen vooral vaak broodjes shoarma eten in de Poelestraat. “De tweede moet ik eigenlijk niet hebben maar ik bestel ‘m toch”, zei Sneeuwvlokje vaak en daar bleef Jos niet bij achter. Maar Koeman had zojuist een contract getekend bij Ajax en die speelden een oefenwedstrijd tegen het amateurelftal van Veendam. Jos beschikte niet over vervoer en ik heb ‘m gechauffeerd met als beloning een middagje backstage met de sterren van Ajax.

Ronald Koeman oogde vermoeid. De conditionele standaard bij de club uit de hoofdstad was hoger dan hij gewend was en er moesten heel wat nachtelijke snacks worden afgetraind. De trainer van Ajax was toen Aad de Mos, die daar over het VIP-terras van de Langeleegte banjerde in een paarse broek (!). Maar wat me vooral bijstaat is dat voetballers relatief klein van stuk zijn. Ikzelf meet 1’77, dat is toch niet echt lang. Toch keek ik op de meeste van die sterren neer. Eigenlijk waren alleen Rijkaard en Van Basten echt groter dan ik. Er zaten er genoeg tussen die ik bijna een kop kleiner zou willen noemen. Feyenoord (met Cruyff) werd aan het eind van dat seizoen landskampioen, maar pas nadat de wedstrijd tegen Ajax in Amsterdam met 8-2 verloren was gegaan.

Toen een hele tijd niks.

Aan het eind van de jaren negentig ben ik nog een keer in Veendam geweest. Met de band waar ik destijds in speelde traden we op in een grotendeels leeg café. In de pauze dansten schaars geklede dames op de bar. Het is bij mijn weten het enige optreden in mijn muzikale carrière dat qua financiële afspraken nooit is afgerekend. Na enkele maanden deden we navraag bij de boeker en hij beklaagde zich dat de kroeg failliet was en dat ook hij kon fluiten naar z’n centen.

Afijn, ik dwaal af.

Wanneer gaan we bowlen?


© José Cutileiro

maandag 1 april 2013

De Messi


Het volgende schrijven zal wel ondersneeuwen in de hectiek van morgen. Maar voor de mensen die het vanmiddag in de kerk gemist hebben en dat zijn er nogal wat, bij dezen het verhaal van Herman. Oftewel hoe Kerst en Pasen in de Veenkolonies en Veendam samenvallen. De betekenis van een evangelie is tenslotte goed bericht. Laten we het hopen.


Hoe de Messi weer uit Veendam verdween

Het was een tijd van crisis. De banken vielen om, er waren problemen in de zorg, onderwijs en vervoer, de woningmarkt zat op slot en schriftgeleerden braken zich het hoofd over blauwdrukken van reddingsplannen en het was in die dagen dat er drie mensen aan de poort stonden van een kleine stad in het noordoosten van Nederland, het stadje dat we kennen als Veendam.
Het waren Jozef Christopokoulos, zijn vrouw Maria en hun enige zoon, de vijftienjarige Jezus. Ze kwamen van verre, uit het oosten, uit een land waar een nog grotere crisis heerste, waar de mensen nog nooit van belasting hadden gehoord en omdat de regering daar nu ook belasting wilde heffen, waren de drie gevlucht.
Maar ze waren nergens welkom.
‘Het is hier vol’, klonk het telkens, ‘rot op naar je eigen land.’
Veendam was hun laatste hoop. Ze hadden gehoord dat het de Parel van de Veenkoloniën werd genoemd. Dat stadje moest dus onnoemlijk rijk zijn.

Ze stonden aan het begin van een heel lange weg.
‘Man, man, man, wat een leegte’, mopperde Jozef.
‘Een allejezuseind’, grapte Jezus.
‘Het stinkt hier ook’, mopperde Jozef.
‘Zal ik straks uw voeten even wassen’, vroeg Jezus.
Maar aan het einde van die lange leegte, als een pot aan het einde van de regenboog, stond een groot gebouw, met vier grote masten die een helder licht uitstraalden.
‘Ik dacht dat er één ster zou zijn’, merkte Jezus op, ‘dit zijn er vier!’
‘Zoveel licht, dat is een teken’, concludeerde Jozef.
‘Dat zei je bij die kolencentrale ook’, sneerde Maria.
‘Geen ruzie maken’, kwam Jezus tussenbeide, ‘we maken allemaal fouten. Alleen hij die zonder zonden is mag met stenen gooien.’
‘Kappen jij, met je tegeltjeswijsheden’, beet Jozef zijn zoon toe
Ze zagen een geelzwart embleem boven de ingang: SC Veendam. En daarnaast ‘De Langeleegte’. Terwijl ze voorzichting richting ingang liepen, onzeker over hoe het welkom zou zijn, rolde een bal hun kant op.
Jezus bedacht zich niet en passte het speeltuig in een tijd terug, in de voeten van een van de jongemannen die er achteraan was gerend. Hij keek verbaasd naar Jezus en liep meteen terug, roepende van: ‘Hé, trainer…’
Jozef, Maria en Jezus liepen door. Het gebouw leek van dichtbij nog groter. Zo zag rijkdom er dus uit. En die auto’s op de parkeerplaats: een Porsche Panamera, een witte Audi… Dan had je geld. En smaak. Het klopte dus wat men zei over de Parel van de Veenkoloniën, waar het geld stroomde als water.
Er zat een oudere mevrouw achter een loket, maar voordat Jozef een vraag kon stellen, klonk achter hen gekuch. De drie keken om.
‘Goeidag luu, ik ben De Voorzitter.’
‘Sjaloom,’ zei Jozef, ‘ik ben Jozef Christopokoulos, dit zijn mijn zoon en mijn vrouw. Wij komen van verre, we zijn bekaf en op zoek naar een plek voor de nacht. Het hoeft niet luxe. Al is het maar een sta... ’
‘Dan moet je bij het asielzoe…’, begon de vrouw achter loket, maar ze werd door De Voorzitter afgekapt: ‘Kop dicht, Dina.’
Hij richtte zich weer tot het drietal: ‘Zeg eh…, Arjan zag hoe jij…’ en zijn vinger priemde in de richting van Jezus, ‘…die bal terugschoot. Zag er goed uit. Waar heb jij gevoetbald?’
‘Eh, nergens’, stamelde Jezus, ‘gewoon. Soms op straat met vriendjes. Ik heb er niet zoveel tijd voor eigenlijk. Ik ben op aarde om vre…’
‘Vreten, daar zeg je zowat’, onderbrak De Voorzitter hem, ‘Ik nodig jullie uit in mijn kantoor voor een bete broods, droge worst en wat te drinken en dan kunnen we even babbelen. Jullie hebben vast honger.’
Jozef, Maria en Jezus knikten.
‘Dina!’, brulde hij richting loket, ‘maak even wat hapjederij.’
De Voorzitter wond er geen doekjes om. Die trap van Jezus, die verraadde zijn talent. En talenten waren welkom hier. Het huis was van SC Veendam, een betaald voetbalorganisatie. Een club met ambities. Ze wilden naar de top. Niet met het tegenwoordig zo populaire tikkietakkie, nee, met bloed, zweet en tranen. Dat waarmee deze stad was opgebouwd. Daar stond de streek om bekend. De Langeleegte was een begrip. Clubs die op bezoek waren deden het in hun broek van angst en niet alleen omdat het ver weg was.
’t Kon minder op dit moment,’ vervolgde De Voorzitter, ‘wat wij nog missen is de icing on the cake. Het laatstje zetje richting de top. Maar…,’ onderbrak hij zichzelf, ‘ik ratel maar door en ik weet niet eens hoe je heet.’
‘Jezus,’ zei Jezus, ‘maar vergeet die naam. De kans dat ik verloochend wordt is vrij groot. Ik noem mezelf dus de Messi…’
‘Dina!’, brulde De Voorzitter direct, ‘neem ook n contract mee! En waar blijft die vreterij?’
‘…ias’, wilde Jezus zijn zin afmaken maar de voorzitter stormde de deur uit, scheldend dat hij weer alles zelf moest doen.
Het gezin Christopokoulos kreeg meteen onderdak, nadat de overblufte Jezus zijn handtekening had gezet onder een papier met een tekst in een voor hem onbegrijpelijke taal. Net op tijd, want Maria greep naar haar buik.
‘Wat is er?’, riep Jozef in paniek, ‘komt er nog een kindeke?’
‘Geen paniek’, kalmeerde Maria hem, ‘ik heb krampen. Omdat we van jou uit de vuilnisbak bij de Mac moeten eten.’
Ze kregen de volgende dag zelfs een huis. Aan de Kruisweg, in Plan Noord. Daar woonden meer mensen uit landen waar niemand van belasting had gehoord. Jozef ontdekte al snel waarom. Ze kregen hier zomaar geld, zonder te hoeven te werken. De Parel van de Veenkoloniën deed zijn naam eer aan.
Het enige verschil met de anderen gezinnen was dat Jezus elke dag moest trainen.
De clubleiding had het goed gezien op de parkeerplaats. Zijn talent was onmiskenbaar. De jongen was tweebenig, snel, had techniek, overzicht, inzicht, was niet te beroerd om te werken en toonde zich een leiderstype.
De komst van de nieuwe Messi, zoals men hem, dankzij De Voorzitter, bleef noemen, zong zich snel rond. Het duurde niet lang of de tribunes puilden uit en zelfs bij de trainingen stonden niet alleen de gebruikelijke negatievelingen langs de kant.
Met zijn vijftien jaar was hij volgens de wet te jong om in het eerste te mogen voetballen, maar, zo zei De Voorzitter tegen De Administrateur: ‘when he is good enough, he’s old enough. Ik ga met hem mee zijn paspoort aanvragen, als je begrijpt wat ik bedoel.’

Jezus was wel een buitenbeentje. Hij had lang haar, een opvallende baardgroei voor een vijftienjarige en het leek of hij voortdurend in het licht liep. Dat viel op in de Veenkoloniën, waar dag in dag uit donkere wolken langs het zwerk raasden.
Wat Jezus ook deed was praten. Heel veel praten. Maar iedereen luisterde, zelfs de ouderen.
‘Slaan jullie hem dan niet op zijn gezicht?’, vroeg Dickie, de eminence grise van de Veenkoloniale journalistiek, gewend aan knorrige routiniers die wel raad wisten met jeugdige praatjesmakers.
‘Nee,’ zei De Aanvoerder, ‘want hij heeft vaak gelijk.’
Jezus praatte wel errugg veel, vonden de mensen, net als Johan. Ook zo’n type. Die werd De Verlosser genoemd.
Jezus kende Johan niet: ‘Maar er zijn veel valse profeten. Slechts een kan de ware zijn. Ik ken alleen mijn Vader, van wie ik De Zoon ben.’
‘Jozef dus’, gokte De Voorzitter.
‘De Vader die in de Hemel zijt’, verbeterde Jezus.
‘Dat moet je me nog maar eens uitleggen’, zei De Voorzitter.
Over zijn kwaliteiten bestonden geen twijfel, dat zag een blinde, maar Jezus hield er merkwaardige opvattingen op na. Het leek of hij niet wilde scoren. Het kwam meer dan eens voor dat het supertalent door de vijandelijke defensie soleerde, maar eenmaal vrij voor de keeper afgaf aan een medespeler die er minder goed voor stond. Daarmee gingen wedstrijden verloren die gewonnen hadden moeten worden. Ook in duels waarin gebuffeld werd, gedroeg de jonge Christopokoulos zich apart. Na een charge keerde hij zijn belager zijn andere been toe. Een unicum in de voetballerij, een wereld van oog om oog, tand om tand.
Na een paar van zulke wedstrijden vond De Voorzitter het tijd voor een gesprekje, maar Jezus zei: ‘De weg is het doel.’
‘Misschien waar jij vandaan komt’, riposteerde De Voorzitter, ‘hier moeten de ballen er gewoon in. Daar draait het om. Elke schot een eendvogel. Met het ‘hoe’ zijn we minder bezig. We willen winnen. Dat lukt alleen met doelpunten. Het doel heiligt de middelen zeg maar.’
‘Met alle respect,’ zei Jezus, ‘u mist het grote verhaal. U wilt omhoog zonder vaste grond, zonder fundering. Uw mensen, die zijn de bouwstenen, die vormen de fundering. Daar moet je in investeren.’
‘Het enige wat ik vraag’, verzuchtte de Voorzitter, ‘is of je wilt schieten. Zonder schieten kun niet scoren. Capice? En nu moet ik weg, naar de sponsoren.
Jezus gezicht betrok: ‘Kijk uit voor die mensen. Voorwaar ik zeg u: zij brengen geld, maar zij brengen ook problemen. Zij zijn de zwam die aan de fundering knaagt.’

Jezus bleef zijn eigen gang gaan. Hij was het water dat de akkers bevloeide en het land vruchtbaar maakte. Dankzij hem werd de selectie meer dan de som der delen.
Maar zijn eigengereidheid begon te irriteren. Daarbij gebeurden er soms vreemde dingen waar de Veenkolonialen niet aan gewend waren.
Op een dag waren er geen broodjes bij de lunch. De catering was de middag ervoor vergeten de bestelling door te geven. Een woedende Teammanager belde Broodjeszaak De Samaritaan, op Beneden Oosterdiep.
‘Wacht’, zei Jezus, ‘hebben we echt niks?’
‘Een half broodje ham en twee haringen, te weinig voor twintig man.’
Jezus verdween met de restjes in de sponsorruimte en kwam even later terug met twee dienbladen verse broodjes, een pan kippensoep, acht droge worsten, twee schalen zeebanket, een zak goudreinnetten en een terrine dampende krentjebrij.
‘Wow’, zei teamgenoot Harris, een verwoed hengelaar, ‘zoveel vis heb ik nog nooit bij elkaar gezien.’
Bij een training in het Borgerswold, belandde een bal in de recreatieplas. Voor het oog van zijn verbaasde ploeggenoten liep Jezus over het water naar de bal.
‘Het is dat ik erbij was anders had ik het niet geloofd’, zei Arjan.
‘Ik geloof het nog steeds niet’, zei Thomas, de linksback.
‘Misschien is hij aan de drugs’, zei Henk.
De Masseur vertelde: ‘Ik was Jopie aan het kneden. Je kent Jopie. Volksjongen. Loopt twintig kilometer per wedstrijd. Gaat door beton. Maar na elk duel zure benen. Dan moet ik drie uur met hem aan de slag. Ik was net begonnen, komt Jezus mijn kamertje binnen. Hij zegt niks, maar legt zijn handen op die Parmahammen van Jopie en ik zie diens gezicht ontspannen. Weg pijn! Ongelooflijk!’
De twijfels bleven echter. Het bleef een rare snijboon, die totaal niet voor resultaat ging. Na zeven magere wedstrijden, die door pech en onkunde verloren gingen, nam het gemor toe. Alleen omdat het zo’n aardige jongen was, mocht ie blijven.
Totdat hij na de 6-5 zege in de derby tegen SC Cambuur, alle sponsoren en zakenmensen uit de businesslounge joeg.
‘Wat doe je?’, vroeg De Voorzitter.
‘Zij spreken met valse tongen,’ zei Jezus, ‘zij zijn hier niet voor de club, zij hebben andere belangen. Als u niet de vinger aan de pols houdt, gaat het mis. Het volk, de supporters, zijn belangrijk. Open de deuren van uw huis voor de gewone man. Een voetbalclub is van mensen, niet van kooplieden. Voorwaar ik zeg u.’
Die actie luidde zijn vertrek in. De sponsoren deden hun beklag bij De Voorzitter, over die brutale aap die een veel te grote mond had. Doelpunten en geld, daar ging het om, niet om tikkietakkie en vage theorieën.
Hij had geen keus, zei De Voorzitter tegen een journalist. Tijdens het interview, dat bij hem thuis plaatsvond en dat over rendement en mentaliteit ging, hoorde de verslaggever de hele tijd een haan kraaien.
‘In mijn tuin? Kan niet’, zei De Voorzitter, ‘ik heb geen haan.’
Het volk ging ook zien wat De Voorzitter had gezegd. Die Jezus moest eens gaan werken. En scoren. Wanneer deelde hij eens een beuk uit? Het was derop of deronder. Waarom nam die wijsneus niet een voorbeeld aan Jopie? Hoe die op zijn leeftijd door muren ging. Leek wel herboren. Die Jezus bleef maar praten en praten. De mouwen omhoog, dat wilden de mensen zien, met het schuim op de bek. Zo was Veendam, de Parel van de Veenkoloniën, groot geworden.
Zijn laatste uur bij de geelzwarten sloeg in de wedstrijd waarin de club bij winst nog net in het linkerrijtje bleef. Jezus kwam zeven keer alleen voor de keeper. Zeven keer speelde hij af naar iemand die er minder goed voor stond en zeven keer werd het geen goal. En zoals zo vaak in de voetballerij ging ie er aan de andere kant wel in.
Het publiek was woedend. De hele Windhoek-tribune drong het hoofdgebouw binnen en eiste zijn vertrek. Zijn gang naar huis werd een vlucht. Jezus werd tot in Plan Noord nagezeten. Op de Kruisweg struikelde hij en voltooide het laatste stukje op de knieën.

Het huis van de Christopokoulosjes was de volgende dag leeg. De drie waren met stille trom vertrokken, midden in de nacht.
‘Waarheen?’, zuchtte Maria.
‘Moet je hem vragen’, bromde Jozef, ‘hij weet alles toch zo goed.’
‘Spanje,’ klonk het beslist, ‘Santiago de Compostela. Van wat ik hoor moeten we er welkom zijn.’
‘Weet jij de weg?’, vroeg Jozef.
‘Ik ben de weg’, zei Jezus.
‘Ja joh, doe nog even bijdehand’, bitste Jozef, ‘een ding: kap met dat Messias-gedoe. Komt alleen ellende van. Messi klinkt beter. En die Voorzitter heeft gelijk. Je moet meer schieten.’
Jezus beloofde het zijn vader en ze gingen op pad. Naar Spanje. Het drietal zou Compostela echter nooit bereiken. De jongen maakte de fout door na de Pyreneeën niet naar rechts, maar naar links te gaan. Zo kwamen ze uit in Barcelona.
‘Het stinkt hier in ieder geval niet’, zei Jozef opgelucht, ’lekker temperatuurtje ook. Alleen nog een plek voor de nacht. Iemand een idee?’
‘Kijk’, riep Jezus plotseling, ‘een ster. Of nee, het zijn er vier!’