Posts tonen met het label Blokken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Blokken. Alle posts tonen

vrijdag 22 november 2013

Blokken (2)

Het schijnt dat naar verluidt de Wethouder van Gemeentebelangen in Veendam een grote vangst heeft gedaan. Er wordt in de Parkstad gesproken over het binnenhalen van een projectontwikkelaar die een nieuw winkelcentrum wil realiseren aan de N33. Onder andere de Franse sportgigant Decathlon is van zins zijn vleugels uit te slaan in de Veenkolonies. Er komt ook een bioscoop met vier zalen en er moet een brug naar het centrum van Veendam komen opdat de consument dit niet links laat liggen.

Sport en N33 roept in herinnering het 'filmische' beeld van nieuw stadion voor de SC Veendam in de vorm van een banaan.

De zwarte mannen moesten ook even denken aan het pact van Kiel Windeweer, Kerkstraat westzijde en projectontwikkelaars.

Geen cynisch gezeur. Zoals eerder gezegd. We moeten vooruit. Met de kop d'r veur. In het zweet des ...... Mensema voor de tweede keer.


Eind jaren zeventig was De Kar in de Peperstraat in het uitgaanscentrum van Groningen een andere discotheek dan je normaal onder zo’n noemer zou verwachten.

Maar wat was eigenlijk normaal? Het helse stroomlijnen van alles en nog wat tot een gruwelijke eenheidsworst – met voorwaarden, voorschriften, certificaten, auditeringen en EU regelgeving, met credo’s als ‘Meten is weten’ en louter economische principes om het leven mee in te richten – was destijds nog niet aan de orde. Je kon nog gewoon zijn wat je wilde zijn.

Waar ik vandaan kwam hadden we een discotheek met een de hele tijd in primaire kleuren oplichtende lichtbak als dansvloer. Henri kwam uit Denekamp in Twente waar men in de discotheek een meter bier bestelde. Dat was een houten lat met gaten erin waarin acht of tien pilsjes konden worden geplaatst.

In zijn geboortestad Eindhoven kwam Aart ’s avonds vrijwel nooit de deur uit. Toen hij eenmaal was gaan studeren in Groningen, maakte Aart dat gemis in zijn opvoeding meer dan goed.

Op woensdagavond gingen we gewoonlijk naar Simplon. Er waren avonden dat daar verdomd veel homo’s waren. Die probeerden elkaar destijds – zo eind jaren zeventig – op een best wel lieve manier te verleiden. Op zulke avonden waren er echter weinig meisjes aanwezig om heimelijk naar te smachten. In plaats daarvan gingen we dan maar blowen en raakten we stoned. Dat was maar goed ook, want de muziek die er gespeeld werd was knap waardeloos.

Henk – die niet bij ons op de studentenflat woonde maar bij een van die homo’s in de Oranjebuurt een kamer had – blowde het meest van ons allemaal. Hij ging dan ook geregeld out. Wat er steevast op neerkwam dat Henk al halverwege de avond ergens in Simplon in een hoekje op de grond lag te slapen.

Dan had hij voor de rest van de week wel weer zijn bekomst gehad. Henk blowde nooit als we op vrijdagavond de Swingavond in Vera bezochten. Ook daar rook je vaak de geur van hasj om je heen, maar wij deinden dan mee in de massa. De muziek in Vera was aanzienlijk beter dan in Simplon, maar hier was het vooral het wat oudere werk dat het meest populair was onder de bezoekers.

‘Can, can’ van The Pointer Sisters.

‘Crosstown traffic’ van the Jimi Hendrix Experience.

‘The sun’ van Bo Hansson.

Het waren nummers die nogal lang duren – gauw een kwartier per nummer – waar vooral de wat oudere jongeren enorm van uit hun dak gingen.

Soms dansten we mee. In de volle, zweterige zaal raakten we dan erg dorstig. Dan liepen we langs de tafels aan de zijkant van de dansvloer, waarop anderen hun pilsjes hadden neergezet om even vrijuit te kunnen dansen. Van elk glas namen we een slok en zo liepen we verder.

Zo raakten we aangeschoten.

Er was ook ergens een discotheek in de stad waar de dansvloer precies boven de ingang was.

Er was er eentje waar alleen maar verpleegsters kwamen. Daar hoorden we verhalen over van een oudere vriend van Henri. Die verpleegsters schenen erg gemakkelijk te zijn. Die kon je volgens die vriend van Henri zo het bed in lullen. We zijn er nooit geweest. Wij wisten al vrij vlot van onszelf dat we alle vier – Aart, Henk, Henri en ik – in tegenstelling tot de verpleegsters nogal moeilijke jongens waren.

Maar op zondagavond – na een lange dag blokken voor het tentamen, met veel teveel koffie als brandstof – was er één plek waar we met alle plezier naartoe gingen, waar we de adrenaline die zich gedurende de dag in onze lijven had samengebald weer los konden laten.

Dan gingen we naar de Kar, halverwege de Peperstraat, tussen de twee frietmuren in. Een discotheek die eigenlijk geen discotheek was en tegelijkertijd de beste danstent in de stad.

© Bill Mensema



zaterdag 16 november 2013

Blokken (1)

Afgelopen week was voor de Veenkolonies van sombere aard. De burgemeester van Veendam nam afscheid in cultureel centrum Van Beresteijn en dat voelde niet goed. In de wandelgangen werd gesproken over zijn gedwongen afscheid als ware zijn houdbaarheidsdatum voorbij. Tsja, alsof het om melk en eieren gaat. Was dat met het voetbal in de Veenkolonies ook zo? Traditie en stabiliteit daar houden de zwarte mannen van. Maar goed we moeten vooruit. Kop d'r veur. Blokken. 

Zwarte man Mensema geeft ons in feuilletonvorm leesvoer voor het weekend. Wij herhalen. Blokken! In het zweet des aanschijns......


Ik kon behoorlijk blokken toen ik nog studeerde. Dat moest ook wel want tijdens college lette ik nooit goed op. Ik had twee docenten aan wier lippen ik hing, maar voor de anderen kon ik maar weinig enthousiasme opbrengen. Helaas moest ik bij die anderen het meeste college volgen.

Het hielp ook niet dat hun uren meestal vroeg in de ochtend gegeven werden. Sommige begonnen al om negen uur. Tegenwoordig is dat voor mij al bijna het middaguur, maar destijds bleef ik het liefst tot 12 uur in bed. En dat terwijl ik niet eens een vriendinnetje had.

Ik was gewoon een luie student.

Een bijzonder luie student.

Met als gevolg dat wanneer de tentamentijd aanbrak  ik al mijn achterstand binnen een of twee weken weer moest zien goed te maken. Dan dronk ik de hele dag koffie, terwijl ik me moeizaam door de studiestof worstelde. Voor mij was dat niet zo gemakkelijk zoals voor mijn vriend Henri.

Henri – op wie ik de Duitse student Otto (tevens toermanager en algemene Manus van Alles van de band) in mijn romans heb gebaseerd – heeft het geluk over een fotografisch geheugen te beschikken.

Ook hij bleef als student graag tot laat in de dag in bed liggen en miste daardoor net als ik talloze colleges. Maar dan pakte hij een week van tevoren het studieboek op dat hij vervolgens rustig en aandachtig ging lezen. Henri hoefde daar maar eenmaal doorheen te gaan en dan was al die kennis direct voor de rest van zijn leven opgenomen in dat fenomenale brein van hem.

Ook nu kan hij me nog steeds feilloos zeggen wat er op blz. 323 van Boek A stond, plus het plaatje dat daarbij hoort en zelfs de kleuren waarin dat plaatje is weergegeven.

Ik had dat helaas niet. Mijn brein was toen al net zo’n ongeorganiseerde rommel zoals het dat nu nog steeds is. De dingen die ik belangrijk vind kan ik er altijd wel weer in terugvinden, maar weetjes en watjes en ditjes en datjes, het komt ergens in het moerasgebied van mijn hersenen terecht. Die verdrinken er vlotjes in het drijfzand.

Dat wil niet zeggen dat het in mijn geval niet eens zin heeft nog iets te leren, want mijn korte termijngeheugen werkt prima. Anders was ik ook nooit op de universiteit terecht gekomen natuurlijk. Op momenten dat het echt noodzakelijk was, wist ik gelukkig altijd wel te presteren. Daarin was ik evenwel nooit een excellente student, maar gewoon eentje die alles net met de hakken over de sloot wist te halen.

Maar daar moest ik wel wat voor doen.

Terwijl Henri beneden in de studentenflat bedachtzaam het studieboek bladzij voor bladzij las, zat ik negen verdiepingen hoger te blokken door het boek uit te werken in een uittreksel.

Dat was sowieso een goede manier voor mij om me de kennis alvast voor een groot deel eigen te maken. Moeizaam worstelde ik me door de tekst heen, de belangrijkste stukken met een potlood onderstrepend. Eventueel met een uitroepteken bij de betreffende alinea. Zodra ik zo’n hoofdstuk dan had doorgenomen, schreef ik mijn uittreksel ervan. In dezelfde structuur als die van het hoofdstuk, maar met alleen de belangrijkste passages erin, het liefste alleen in steekwoorden.

Eigenlijk vond ik dat het aardigste onderdeel van het blokken: het schrijven van zo’n uittreksel.

Ik was altijd al iemand die het liefst schrijft. Ik moet gewoon iets met mijn handen doen. Dat heb ik nog steeds.

Voor lezen – zelfs voor mijn plezier – moest ik vroeger al echt gaan zitten. Ook nu kan ik alleen maar een boek lezen aan de eettafel. Lees ik datzelfde boek liggend op de bank, zittend op de bank, in de trein, op een boot, achter in de auto, op het gras in het park, dan sukkel ik in de regel binnen vijf minuten in slaap.

Maar schrijven daarentegen, nee, dat kost mij nooit moeite.

Dat gaat vanzelf.

In tegenstelling tot studeren. Dat was voor mij altijd blokken. Het actieve deel daarvan – het schrijven van het uittreksel – was nog wel te doen, maar daarna moest het in mijn hoofd worden gestampt. Dat onderdeel was voor mij het zwaarste.

Zuchtend zat ik dan achter mijn bureau. Soms ging ik naar de keuken om in plaats daarvan dan maar de drie weken oude afwas eindelijk eens te doen. Dan had ik toch nog het gevoel iets zinvols te doen. Maar ook dan…

Zodra ik weer op mijn studentenkamer was, lag daar nog steeds het uittreksel dat ik met mijn blauwe BIC pen geschreven had, met de studiestof keurig gerangschikt, met bulletpoints en pijltjes, met soms zelfs een overgetekend grafiekje erbij.

Opnieuw zuchtte ik dan diep, maar ik ging er wel voor zitten. En dan begon ik. Hardop las ik dan mijn uittreksel door, in de hoop dat het op zo’n manier al iets beter zou gaan beklijven.

Het was amper te doen.

Dan ging ik weer naar de keuken om er de krant te lezen.

Dan ging ik weer naar Henri op de begane grond om even naar muziek te luisteren, wat vooral frustrerend was, omdat hij onderhand al klaar was met de voorbereiding van het tentamen.

Dan ging ik weer terug naar de negende verdieping.

Dan zat ik even aan mijn bureau.

Dan bedacht ik me dat ik nu echt koffie nodig had.

Dan ging ik opnieuw naar de keuken om er koffie te zetten.

Dan nam ik me voor, terwijl ik vanuit de keuken staarde over het Groninger platteland richting Bedum, nu eindelijk eens echt te gaan studeren.

Dan nam ik me heilig voor al die zware studiekost nu eindelijk eens echt in mijn kop te stampen.

Dan liep ik met opgeheven hoofd en een vers kopje koffie terug naar mijn studentenkamer aan het einde van de lange gang.

En daar ging ik dan. Met koffie erbij ging het inderdaad iets makkelijker, wist ik na de vierde maal hardop lezen van het uittreksel de nodige rijtjes voor het tentamen op te sommen.

Zodra ik dat punt bereikt had, was het tijd om met het volgende hoofdstuk aan te vangen. Eerst het maken van een uittreksel daarvan. Daarna het vermaledijde stampen. Maar met nog een bakje koffie erbij zou ook dat me moeten gaan lukken.

Er waren zelfs momenten dat ik bijna euforisch mijn BIC pen ter hand nam om mijn uittreksel verder te schrijven.

* * *
Als ik ’s avonds rond tien uur dan eindelijk alles gedaan had wat ik moest doen, trilde ik als een blad van de twee liter koffie die ik gemiddeld gedurende zo’n dag naar binnen had gewerkt.

Dan ging ik naar beneden. Dan ging ik naar Henri toe. Aart – die net als ik ook altijd moest blokken – zat er dan al. Net als ik stijf van de koffie. Terwijl Aart en ik dan raaskalden en elkaar ondervroegen, in de hoop dat we het belangrijkste van de tentamenstof onthouden hadden, trok Henri al zijn jas aan. Die wist namelijk wel wat te doen als wij in zo’n staat verkeerden. Hij liep dan naar buiten toe, waar zijn lichtblauwe Volkswagen Kever op de parkeerplaats voor de flat stond. Aart en ik volgden hem.

Want wij wisten ook waar we nu naartoe zouden gaan.



© Bill Mensema