Posts tonen met het label Stadskanaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stadskanaal. Alle posts tonen

maandag 10 december 2012

Ben Ali Libi

Zwarte man Sandman verontschuldigde zich op de tribune van de Langeleegte met de woorden 'Ik kom van Stadskanaal'. Zijn kennis van Willem Wilmink reikt niet verder dan 'deze vuist op deze vuist'. Van Ben Ali Libi had hij nog nooit gehoord. Omdat iedereen van Ben Ali Libi moet hebben gehoord doen we dit gedicht van Wilmink op de blog in de reprise. Vrijdag tegen Helmond Sport moet het voetbal beter zijn dan tegen Den Bosch. Anders gaan de zwarte mannen wederom poezie reclameren. Ook niet verkeerd.



zaterdag 3 november 2012

Afscheid

Langs de zijkant van de Martinikerk staat een paarse rouwwagen van het type Volvo V90 geparkeerd. De mobiele telefoon bericht van een nieuw schrijven. Ter hoogte van de winkel vol met zwerfsportartikelen open ik de juiste applicatie en zie dat zwarte man Sandman zijn laatste column voor de Gezinsbode heeft gestuurd. Dit mag de blog. Nee, dit moet op de blog.

Sandman keert terug naar de streek waar hij 'weg' komt. Deze zwarte man gaat terug naar het voedingsgebied van de SC. Een thuiskomen. Lees in de column zijn verantwoording.

In de Veenkolonies kan zwarte man Sandman's schrijven niet altijd gelezen worden. Gelukkig komt er binnenkort onder de titel 'Laatste bus naar Slochteren' een bundeling van  zijn beste Gezinsbode columns uit.

Zwarte mannen houden niet van zelfbevlekking, maar geef toe, dit is natuurlijk een typisch gevalletje zwarte mannen kado idee in deze steeds donker wordende dagen.

O ja, die rouwauto stond er in het kader van de rouwbeurs. De dood is het stilste levenslied. Zwarte mannen zijn het daar wel over eens. Daar is geen woord paars bij. Zwart zal overleven. Sandman gaat naar de Kanaalstreek. Daar kan de vlag in top.



Als de mannen van het vijfde donderdags na de training naar Vera gingen, probeerde ik me daar een voorstelling van te maken. Dat was een wereld ver weg. De muziek interesseerde me van A tot Z, ik bedoel, ik luisterde naar de Vpro, naar programma’s als De Wilde Wereld, maar hoewel ik als achttienjarige de leeftijd had, ik peinsde er niet over om naar een concert te gaan. Dat durfde ik niet.

Dat wat er in Vera gebeurde, zo maakte ik op uit de verhalen, daar moest ik maar niet heen. De flessen bier vlogen je om de oren en ik wilde voorkomen dat ik doodgedrukt zou worden tijdens het pogoën. Daarbij gingen ze soms nog naar de hoeren en zo was ik niet opgevoed.

De stad Groningen was in mijn beleving bevolkt met jongeren die hun neus ophaalden voor iemand uit Stadskanaal, die zo’n boertje van buiten niet eens zouden aankijken en als ze het al deden dan zou dat met zoveel dedain zijn dat zo iemand uit Stadskanaal op van de zenuwen de eerste bus weer naar huis nam, nog voor een noot muziek geklonken had.

Dat het wel meeviel hoorde ik pas toen ik naar Winschoten verhuisde. Vrienden uit de Rozenstad vertelden in geuren en kleuren dat ze eens kaarten in de voorverkoop hadden besteld, ik meen voor Killing Joke. Een uur voor aanvang van het concert werden ze bij de kassa uitbundig begroet: ‘Daar zijn de Winschoters! Achttien kaarten in de voorverkoop!’

Mijn angst om onder te gaan in het dansgeweld was overigens niet zo heel gek. Richard, een van mijn beste vrienden, herinnerde zich die avond: ‘We waren op tijd en stonden lekker vooraan. Wat we wel gek vonden was het weinige publiek. Tot een minuut voor aanvang ineens de grote deuren opengingen en een horde punkers en new wavers binnenstormde die bij de eerste klanken onmiddellijk losgingen in een woeste krijgsdans. In no time stonden we weer achterin de zaal.”

Toen ik 12,5 jaar geleden in de stad Groningen kwam te werken, als redacteur kunst en cultuur bij de Groninger Gezinsbode, hield ik dan ook mijn hart vast. Wat moest ik daar? Tussen al die bijdehante stadjers?

Ik had ‘ja’ gezegd toen ik voor de functie werd gevraagd, maar niet blakend van zelfvertrouwen. Dan moest ik naar Vera, naar De Oosterpoort, het Groninger Museum. Ik moest zorgen dat ik on speaking terms raakte met programmeurs en directeuren en ik zou er zelfs over moeten schrijven. Durfde ik dat?

De eerste jaren zat ik in het Groninger Museum als een kip naar het onweer te kijken naar Bono, naar Gorbatsjov en Jane Collins, maar alles wende en op zeker moment hoorde ik mezelf een vraag stellen aan Philip Glass.

De wereld van kunst en cultuur in Groningen is, ondanks het voortdurende geldgebrek, een boeiende biotoop, waarin plek is voor iemand met een goed idee. Wat ik nooit had kunnen bevroeden is dat ik me thuis ben gaan voelen in de stad. Op een dusdanige manier dat, toen we vanuit Groningen naar Slochteren verhuisden, ik met de blik van een stadjer naar het dorpse leven keek, het uitgangspunt voor deze serie verhalen.

Het gekke is weer dat ik juist in de stad leerde mijn eigen identiteit te koesteren. Ga niet met de meute bij, blijf bij jezelf. Een van de adviezen van Jacques J. d’Ancona heb ik altijd onthouden: ‘blijf leuke dingen doen’. Ik dacht eerst dat ie speciaal mij bedoelde, maar hij zei het tegen iedereen. Los daarvan: behoud de eigenheid en al is dat de Veenkoloniën, als je een goed verhaal hebt, zal niemand je uitlachen.

Met mijn vertrek bij de Groninger Gezinsbode, per 1 januari 2013, komt er een einde aan deze rubriek. Niet alleen omdat ik redacteur van De Kanaalstreek word, maar ook omdat ik niet meer met de blik van een stadjer naar het dorp kijk.

Herman Sandman




vrijdag 15 juni 2012

Piethoane

Hoeveel oranje kun je als mens verdragen. Laten we het maar over cultuur hebben was de gedachte bij zwarte man Sandman na afloop van van het voetbal tegen de Pruis eergisteren. Even geen Charkov, maar gewoon lekker thuis in de veenkolonies.


Ik was vier jaar toen Easy Rider in première ging, maar dat was niet de enige reden dat ik de film niet mocht zien. Het Stadskanaal van 1969 was allesbehalve ontvankelijk voor lofzangen op drugsgebruikende hippies, die op zoek waren naar zichzelf. De communis opinio in de Veenkoloniën dicteerde dat je beter op zoek kon gaan naar werk. Geluk en zingeving waren nog geen recht. Mijn vader heeft zijn hele leven hetzelfde commentaar geleverd als er weer zo’n ‘stuffieroker’ in beeld kwam: ‘Laat ze eerst maar naar de kapper gaan.’
Dat hij er zelf uitzag als een kruising tussen Wally Tax en Djenghiz Khan lag volgens hem anders. Dat was mode, want Johnny Rep en The Cats liepen er ook zo bij.
Ik kom uit een arbeidersgezin en in de jaren zeventig bestond in die kringen weinig waardering voor werkschuw tuig dat in communes woonde en naakt rondliep op popfestivals, onderwijl luisterend naar wat in de volksmond ‘kedellappermuziek’ werd genoemd. Met cultuur was in die dagen echt niemand bezig. De mensheid in Oost-Groningen werkte in de fabriek en ging op zaterdags naar het voetballen en zondags naar de kerk. Het enige uitje dat we kenden was een wandeling in de Sellinger Beetse of naar de speeltuin van Drouwenerzand.
De verschijning van een film, die een even belangrijk icoon voor de westerse cultuurbeleving zou worden als de Taj Mahal, Mona Lisa en Dolly Parton, liet de Kanaalsters volledig onberoerd. Het was in de Veenkoloniën wel doorgedrongen dat er iets als de jaren zestig aan de gang was, maar iedereen bleef het liefst zo ver mogelijk uit de buurt van mensen die glazig uit hun ogen keken en elke zin besloten met ‘weet je wel’. De enige geestverruimende middelen waar de working class zich aan waagde waren Skol-bier, Mateus-rosé en Caballero zonder filter.


Dat Sex Machine van James Brown bijzonder populair was op personeelsavonden van de machinefabriek waar mijn vader werkte, kwam alleen omdat het leek alsof Brown in het refrein een vies woord zei. Iedereen kende het als ‘dat nummer van Piethoane’. Mijn ouders luisterden thuis naar Demis Roussos, André Moss en The George Baker Selection. George Baker geldt nu als cool, toen wilde je dood nog niet naast zijn muziek worden gevonden, zelfs als vierjarige niet.
De jongeren zullen in die jaren meer cultuurbesef hebben gehad, ook zij kwamen niet verder dan ‘brommers kieken’ in de fietsenstalling van het Ubbo Emmius-lyceum en van brommers kieken naar een met drank en drugs doorspekte roadtrip door zonnig Californië was een lange weg.
Al hadden mijn ouders het gewild, het was in het Oost-Groningen van eind jaren zestig, begin jaren zeventig allesbehalve eenvoudig iets mee te krijgen van wat in de rest van de wereld gebeurde. Op een mooie dag werd het grijze standaardmodel telefoon geïnstalleerd en de zwart/wit televisie bood naast Nederland 1 en 2 slechts Duitsland 1 en 2. We keken naar Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen meneer?, Catweazle en Het kleine huis op de prairie. De radio bood meer vertier, maar volgens mijn vader waren David Bowie en Captain Beefheart ‘haalfmalen’ en als het met muziek al zo ging, hoefde je je geen illusies te maken over films.
Dat ik toch weet kreeg van het bestaan van Easy Rider kwam omdat de filmposter zeven jaar later nog steeds bij de oudere zus van een vriendje op de kamer hing. Het moest dus over iets bijzonders gaan, maar ik kreeg te horen dat dat niks voor kleine jongetjes was. Uit wraak gingen we, toen die zus er niet was, in haar kast snuffelen en hadden dolle pret met de witte raket onder de stapel handdoeken, vooral bij de gedachte dat ding in te smeren met Midalgan.
Als zestienjarige, op zoek naar rolmodellen, was ik uiteraard wel geïnteresseerd in denken en doen van werkschuwe dopeheads, maar toen was het inmiddels 1981 en gingen de gesprekken over aids, de aanslag op de paus, de aanslag op Reagan, de eerste vlucht van de Spaceshuttle en krakersrellen in godbetert Nijmegen. Bovendien was Johan Cruijff terug bij Ajax. In het weekeinde ging je naar discotheek Frascati, waar we vanuit een donker hoekje naar meisjes loerden, terwijl we luisterden naar Spandau Ballet, Anita Meyer en Rubberen Robbie. Die discotheek lag naast bioscoop Luxor, maar dat was verboden terrein. Daar draaiden ze seksfilms, eufemistisch aangeduid als Zweedse natuurfilms. Ik heb lang gedacht dat Knut & Helga Zweeds was voor Tom & Jerry.
Al had ik naar Luxor gemogen, Easyrider stond er niet meer op de rol. Al een hele tijd niet meer. Een bioscoop had destijds nog geen programma met klassiekers, voor mensen die in hun jeugd zijn blijven hangen. Ik was bovendien matig geïnteresseerd in films. Ik ben nu redacteur kunst & cultuur van de Groninger Gezinsbode en dat lijkt heel wat, maar ik kom echt uit een streek waar cultuur een vies woord was.
Op achttienjarige leeftijd had ik de focus op punk en een belangrijke eigenschap van een punker is dat hij hippies haat. In dienst kwam ik weer bij zinnen en begon onder invloed van westerse kamergenoten om mij heen te kijken en soms naar een film, maar in de bataljonskantine werd louter porno vertoond. Daar deed niemand geheimzinnig over. Een weekendje wachtlopen was een verschrikking, omdat je twee keer 24 uur onophoudelijk naar seks keek.
In de jaren daarna verdween het fenomeen film naar de achtergrond. Ik werkte in de drukkerij in ploegen, voetbalde op zaterdagmiddag en de rest van mijn vrije tijd zat ik in café ’t Pleintje. In de bioscoop kon je niet achter de meisjes aan en toen ik eenmaal het meisje had gevonden met wie ik verder door het leven wilde verdween de behoefte uit te gaan. Films kon je op televisie zien en er was niks leukers dan zaterdagsavond op de bank liggen.
Hoewel ik inmiddels geïnteresseerd ben in de schone kunsten en meer dan veertig jaar de tijd heb gehad een inhaalslag te maken, helemaal na de introductie van de dvd, heb ik Easy Rider pas in 2010 gezien. Dat gebeurde nadat Dennis Hopper was overleden en bioscoop ForumImages het document als eerbetoon op de rol zette. Artistiek directeur Frans Westra vroeg mij om een inleiding te verzorgen. Ik had hem ooit het boek Hells Angels van Hunter S. Thompson gegeven en ik leek hem wel iemand die een beetje in die scene zat. Dat vond ik een eer, want ik ben de eerste om toe te geven dat Easy Rider een even belangrijk icoon voor de westerse cultuurbeleving is als de Taj Mahal, Mona Lisa en Dolly Parton. Ik heb dit stukje (maar dan iets anders) voorgelezen, maar ik vond het eerlijk gezegd een enorme kutfilm.